Voorbij de werkelijkheid, de werkelijkheid voorbij

Byt2Fictie en werkelijkheid. We spreken erover als twee onderscheiden, aan elkaar tegengestelde werelden; de één echt, de ander niet echt. Maar zijn deze twee werelden wel zo tegengesteld? Is de grens tussen beiden wel zo scherp als wij doorgaans denken?

om deze vraag te kunnen beantwoorden is het zinvol eerst eens na te gaan wat we  eigenlijk verstaan onder fictie, en wat onder werkelijkheid. Met het begrip ‘werkelijkheid’ doelen we doorgaans op de empirische werkelijkheid, de wereld zoals wij die waarnemen in gebeurtenissen, objecten en mensen. De fictionele werkelijkheid, die we bijvoorbeeld tegenkomen in literatuur, film en kunst, kent zowel elementen uit de empirische wereld als elementen die verzonnen zijn.

In de westerse discussie over fictie is tot ca. 1920 Aristoteles’ opvatting van mimesis dominant gebleken[1]: fictie imiteert de werkelijkheid. Inmiddels is deze opvatting door een veelheid aan opvattingen vervangen. Zo meent de één dat ficties aanvullingen zijn op de werkelijkheid terwijl de ander fictie ziet als iets dat een andere, nieuwe wereld creëert die daarvoor nog niet bestond en die net zo echt is als de werkelijkheid zelf.

 

Het subject als ontmoetingspunt

Ger Groot, bijzonder hoogleraar literatuur en filosofie aan de universiteit van Nijmegen, onderzoekt in zijn magistrale boekje Vergeten te bestaan – Echte fictie en het fictieve ik nauwkeurig de grens tussen fictie en werkelijkheid.[2] Hij stelt dat wanneer we dit onderzoek op een meer logische, objectieve manier uitvoeren, het antwoord vrij simpel is: fictie en werkelijkheid zijn elkaars tegengestelden, ze sluiten elkaar uit. Met andere woorden: iets is óf werkelijkheid, óf fictie. Fictie en werkelijkheid zijn vanuit dit rationele perspectief dus twee strikt gescheiden werelden. Sterker nog: fictie wordt veelal gedefinieerd als negatie van de werkelijkheid – als iets dat onwerkelijk is.  Hierdoor krijgt de fictionele werkelijkheid feitelijk dus een inferieure status ten opzichte van de empirische werkelijkheid.

Vanuit rationeel, logisch perspectief zijn fictie en werkelijkheid dus twee strikt onderscheiden, tegenovergestelde werelden. Anders wordt het volgens Ger Groot, wanneer we de grens tussen fictie en werkelijkheid bezien vanuit het perspectief van de toeschouwer. Dan kunnen we ons afvragen: hoe onwerkelijk is fictie nu eigenlijk wanneer deze er wezenlijk door geraakt of gegrepen wordt?

Dit is gemakkelijk vanuit de eigen ervaring te onderzoeken. Wanneer we bijvoorbeeld een boek lezen waardoor we diep geraakt worden, dan voelen we emoties die niet minder werkelijk zijn dan de emoties die we ervaren met betrekking tot de dagelijkse, zogenaamd echte werkelijkheid. Hoewel we heel goed weten dat wat wij lezen fictie is, oftewel, niet op werkelijke of waargebeurde feiten gebaseerd maar ontsproten aan de fantasie van de auteur, gaan we volledig op in de wereld die zich, zoals Ger Groot dat zo mooi zegt, ‘ voor ons lezend oog ontvouwt’. We identificeren ons met personages, voelen emoties van vreugde, afschuw of verdriet die heel intens kunnen zijn. En als er daarbij al iets vervaagt, of misschien zelfs onwerkelijk wordt, dan is het precies die alledaagse werkelijkheid.

Onderzoeken we dus de grens tussen fictie en werkelijkheid vanuit een meer  ervaringsmatig standpunt, dan blijkt het ontmoetingspunt tussen die twee onderscheiden werelden te liggen in het subject zelf; in de mens dus, de spil die zowel behoort tot de werkelijkheid (die hij waarneemt) als tot de fantasie (die door hem gedacht wordt). Het subject bepaalt uiteindelijk waar die grens legt en hoe scherp die is.

 

Het Oneindige Verhaal

Zoals ik al aangaf is het begrip ‘fictie’  niet alleen voorbehouden aan de literatuur. Ook in film, kunst en muziek kunnen we een fictionele werkelijkheid aantreffen. In al deze uitingsvormen kan er immers sprake zijn van fantasie, van een gecreëerde, bedachte werkelijkheid die daarvoor nog niet op die manier bestond. De emoties die we bij het  aanschouwen van fictie – in welke vorm dan ook – ervaren, kunnen levensecht zijn en doen de grens tussen fictie en werkelijkheid voor ons vervagen. Denk maar aan dat boek, dat kunstwerk of concert dat je even uit jezelf en je routine optilt en meevoert naar andere oorden.

Intrigerend is nu de vraag in hoeverre het ook mogelijk is dat de grens tussen fictie en werkelijkheid niet alleen vervaagt maar zelfs volledig verdwijnt. Dit concept wordt op prachtige wijze uitgewerkt in het boek Het Oneindige Verhaal van de Duitse auteur Michael Ende[3].

Het boek gaat over een onzeker, bang jongetje, genaamd Bastiaan, die eigenlijk nergens goed in is behalve in dromen en verhalen verzinnen. Dit tot grote teleurstelling van zijn vader – met wie hij sinds de dood van zijn moeder alleen woont – die vindt dat Bastiaan moet ophouden met dagdromen en met zijn beide benen op de grond moet gaan staan. Op een dag komt Bastiaan bij toeval in een antiquariaat terecht waar hij zich wil verstoppen voor een aantal jongens die hem te grazen willen nemen. In de boekhandel wordt hij als een magneet aangetrokken tot het boek dat de antiquair aan het lezen is. Het is een prachtig uitziend, oud boek met op de voorzijde een amulet dat bestaat uit twee slangen, een lichte en een donkere, die elkaar in de staart bijten. In dit amulet staat de titel van het boek: ‘Het Oneindige Verhaal’. Bastiaan  voelt zich zo onweerstaanbaar aangetrokken tot het boek  maar heeft geen geld om het te kopen. Daarom neemt hij het boek op een onbewaakt ogenblik, wanneer de antiquair aan de telefoon zit, stiekem mee. Hij verstopt zich met zijn boek op de zolder van zijn school en begint te lezen.

Het boek speelt vanaf nu op twee niveaus: wij lezen over Bastiaan die op de zolder het boek zit te lezen, de torenklok hoort, honger krijgt etc. (de tekst die we lezen is in dat geval rood), én wij lezen het verhaal dat Bastiaan leest (de tekst die wij lezen is dan blauw).

Het verhaal dat Bastiaan leest gaat over Fantásië, een wereld die is opgebouwd uit de dromen van de mensen. Deze fantasiewereld wordt dan ook bevolkt door de meest wonderlijke creaturen die een mens zich maar kan voorstellen, letterlijk. Bastiaan leest in het boek dat Fantásië in groot gevaar is. De Kleine Keizerin, die wordt beschouwd als het kloppende hart van Fantásië, is ziek. Haar ziekte hangt op mysterieuze wijze samen met een onverklaarbaar Niets dat steeds verder om zich heen grijpt en letterlijk grote gaten in Fantásië slaat. De enige manier om dit Niets tegen te houden is door een medicijn voor de Kleine Keizerin te vinden, waardoor zij weer beter wordt en met haar Fantásië. Hiertoe wordt Atréyu eropuit gezonden, een klein en dapper indiaanachtig jongetje, dat een zeer zware en avontuurlijke reis moet ondernemen om het medicijn te vinden. In het boek lezen we hoe Bastiaan volledig opgaat in het verhaal en in Atréyu’s reis. Er ontstaat een sterke bewondering voor Atréyu, die precies dat vertegenwoordigt wat Bastiaan mist en graag zou zijn, namelijk sterk en dapper enz.

Atréyu ontdekt uiteindelijk het medicijn voor de Kleine Keizerin en dat is dat zij een nieuwe naam moet krijgen. Een ogenschijnlijk eenvoudig op te lossen probleem, ware het niet dat noch Atréyu noch enig ander wezen in Fantásië haar die nieuwe naam kan geven. Alleen een mensenkind blijkt dit te kunnen doen. Bastiaan voelt zich, vanwege zijn intense betrokkenheid bij het verhaal, aangesproken maar kan zich niet voorstellen dat hij werkelijk de persoon kan zijn die de Kleine Keizerin die nieuwe naam kan geven. Toch krijgt Bastiaan steeds meer signalen die erop wijzen dat hij de enige is die Fantásië kan redden, mits hij in staat is om – tegen zijn logische verstand in –  de sprong te wagen en een actieve rol in het verhaal te gaan spelen. Het hele gebeuren vormt een zware geestelijke beproeving voor Bastiaan. Niet alleen kan hij maar moeilijk geloven dat hij werkelijk degene is die Fantásië kan redden, bovendien is hij zich maar al te bewust van zijn vaders vermaning dat hij moet ophouden met dromen en met beide benen op de grond moet gaan staan.

Op dit punt in het boek wil ik graag blijven stilstaan, namelijk het moment waarop Bastiaan niet langer een verhaal leest dat los staat van zijn eigen concrete bestaan, maar  waarop  Bastiaans werkelijkheid en de fictieve werkelijkheid in het boek letterlijk in elkaar over dreigen te lopen. Dit  wordt in het boek heel mooi opgebouwd. Zo krijgt Bastiaan tijdens het lezen  steeds duidelijkere aanwijzingen dat de personages in het boek van zijn bestaan hier en nu afweten (wanneer hij op een gegeven moment even een gil van schrikt geeft tijdens het lezen van een enge episode leest hij op datzelfde moment dat de hoofdpersonage deze gil hoort enz.). Uiteindelijk culmineert dit in een directe confrontatie tussen Bastiaan en de personages in het boek. Een fragment:

Bastiaan voelde hoe zijn handen klam werden van opwinding. ‘Dat kan toch niet’, zei hij. ‘Ik weet toch helemaal niet wat ik doen moet. En misschien is de naam die ik bedacht heb wel helemaal de goede niet.’

‘Mag ik u wat vragen?’ vroeg Atréyoe, het gesprek weer opnemend. Glimlachend knikte ze. ‘Waarom kunt u alleen beter worden als u een nieuwe naam krijgt?’ ‘Alleen de juiste naam geeft alle wezens en dingen hun echtheid’, zei ze. ‘De verkeerde naam maakt alles onecht.’[…] ‘Maar misschien weet de redder de juiste naam die hij u geven moet nog niet.’ ‘Jawel’, antwoordde zij. ‘Die weet hij.’ Weer zaten zij zwijgend bij elkaar.

Bastiaans hart begon wild te kloppen. Zou hij het gewoon proberen? Maar als het dan niet lukte? Als hij zich toch vergiste? Als die twee het helemaal niet over hem hadden maar over een heel andere redder? Hoe moest hij nu weten of zij echt hem bedoelden?

‘Ik vraag me af,’ begon Atréjoe weer, ‘of het mogelijk is dat hij nog steeds niet begrijpt dat alleen hij en niemand anders bedoeld wordt?’ ‘Nee,’ zei de Kleine Keizerin, ‘zo dom kan hij niet zijn na alle aanwijzingen die hij gekregen heeft.

 

De lectio divina

Het concept dat aan deze passage –  en aan het Het Oneindige Verhaal in zijn geheel –  ten grondslag ligt is dat fictie en werkelijkheid in wezen geen onderscheiden werelden zijn maar in elkaar overvloeien, elkaar zelfs wezenlijk nodig hebben. In het boek wordt dit concept op een heel letterlijke manier uitgewerkt: Bastiaan voelt zich rechtstreeks en persoonlijk aangesproken door wat hij leest. Hij raakt gaandeweg zo overtuigd door wat hij leest dat de grens tussen zíjn werkelijkheid en de fictieve werkelijkheid in het boek volkomen verdwijnt. Hier kunnen we aanhaken bij Ger Groot, die stelt dat de grens wordt bepaald door het subject. Niet het boek maar Bastiaan zelf  bepaalt uiteindelijk hoe scherp die grens is. Zijn manier van lezen heeft in de kern bijna iets religieus of beter nog: iets mystieks, en komt zelfs een beetje in de buurt van wat de kerkvaders de ‘lectio divina’, letterlijk de ‘goddelijke lezing’ noemden[4]. Dit zal ik kort toelichten.

Voor de kerkvaders betekende het lezen van de Schrift een religieuze ervaring.[5] Zij geloofden dat ze, wanneer ze lazen, geleid en onderwezen werden door de Heilige Geest. Het mediterend lezen van de Schrift noemden zij de ‘lectio divina’, de ‘goddelijke lezing’. Die goddelijke, contemplatieve manier van lezen gaat verder dan een geraakt worden. Het overstijgt dit, in die zin dat er een directe, levende verbinding met het gelezene tot stand komt die het tijd/ruimtelijke – dat wat wij doorgaans als werkelijkheid begrijpen – ontstijgt. Wat dit inhoudt, kan worden geïllustreerd met behulp van een citaat van de 11e-eeuwse mysticus Johannes van Fécamp (1028-1078) die de ervaring, die door deze leeswijze kan optreden, als volgt beschrijft:

 “ Alles zwijgt, alles is rustig, het hart brandt van liefde, de ziel stroomt over van vreugde, het geheugen is vol kracht en het verstand vol licht en de hele geest, ontvlamd door het verlangen om uw schoonheid te zien, ziet zich verrukt in de liefde voor de onzichtbare werkelijkheid!”[6]

Precies deze ervaring zien we in zekere zin ook bij Bastiaan gebeuren.

Vanuit een meer filosofische perspectief zou je kunnen zeggen dat deze contemplatieve manier van lezen een transcenderende beweging tot gevolg heeft; een beweging waarin niet alleen de grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen de lezer en het gelezene, maar waarin uiteindelijk ook het ‘zelf’ overstegen wordt. Op dit punt vinden we eveneens een interessant aanknopingspunt met het boek van Ger Groot. In de tweede helft van zijn boek betoogt hij, aan de hand van het denken van Sartre, dat niet alleen de grens tussen fictie en werkelijkheid, maar dat ook het alledaagse ‘ik’ alleen op kunstmatige wijze bestaat. Het ‘ik’ is niet mijn feitelijke verschijning in de wereld maar de betrokkenheid waarmee mijn bewustzijn zich op die wereld richt oftewel: mijn intenties, verlangens en herinneringen in relatie tot die wereld. Deze bundeling van intenties, verlangens etc. is in feite een voortdurende beweging naar de wereld toe, een transcendentie van het ‘ik’. Het oorspronkelijke ‘ik’ is dus geen statisch en zelfstandig iets  maar een transcendentie van het ‘ik’ die principieel onzichtbaar is omdat het niet behoort tot de zijnsregio in de waarneembare werkelijkheid.

We zouden kunnen zeggen dat ook Bastiaan door zijn kunstmatige, geconstrueerde ik – d.i. het beeld dat hij van zichzelf heeft als het onzekere, bange jongetje dat nergens goed in is – heen breekt naar zijn oorspronkelijke ik. Dit gebeurt op het moment waarop Bastiaan, met alle risico’s van dien, de sprong waagt, en de nieuwe naam voor de Kleine Keizerin uit het raam schreeuwt. Zijn daad is niet het gevolg van een soort logische, weloverwogen keuze   maar komt voort uit een volkomen overgave aan het verhaal dat hij leest en zijn verlangen om hieraan deel te gaan nemen.

Die contemplatieve, geestelijke leeswijze waarover ik uitweidde, is niet een vorm van lezen die je kunt afdwingen of forceren. Een monnik van de berg Athos sprak eens, met het oog op deze leeswijze, de gevleugelde woorden: “Tegenover de Geest moet men zich gedragen als tegenover een duif die ons dichter nadert naar de mate van de rust, de stilte en de gewilligheid waarmee wij op haar wachten.” [7] Het vraagt eigenlijk niet om een actieve, maar juist om een passieve houding, een gesteldheid die we denk ik nog het dichts naderen met het begrip ontvankelijkheid.

Ik wil dit begrip graag verder verduidelijken aan de hand van twee Duitse denkers, de 20e eeuwse filosoof Heidegger en de 13e eeuwse filosoof en mysticus Meister Eckhart. Bij beiden speelt het passieve, ontvankelijke element in de mens een grote rol, niet alleen in relatie tot literatuur of filosofie, maar in relatie tot de wereld, het leven, óns leven.

 

‘Openheid’ bij Heidegger

Heidegger spreekt in zijn werken niet zozeer van ‘ontvankelijkheid’ maar van ‘openheid’. Openheid is altijd openheid voor iets – iets wat niet door jezelf gedaan kan worden. Het overkomt je, de openheid is iets passiefs. Dit haakt in op Heideggers vrijheidsdenken. Ook vrijheid ziet Heidegger in de kern als iets passiefs, als een bewogen of aangeraakt worden etc., en dan pas als iets actiefs: ik ga er iets mee doen, ik laat mij erdoor bewegen.

Met het oog hierop wordt duidelijk dat Heidegger een ander begrip van vrijheid heeft dan wat de moderne mens hier gewoonlijk onder verstaat. Vrijheid moet bij Heidegger niet in de eerste plaats begrepen worden als een kiezen tussen mogelijkheden, dus als iets actiefs, maar als een openstaan voor mogelijkheden (passief).[8] Je moet je er aan overgeven om de rijkdom te ervaren die erin besloten ligt. Anders gezegd: pas vanuit openheid kan zich het onverwachte, het nieuwe tonen; de openheid maakt pas dat je hier oog voor hebt.

Op grond hiervan kan Heidegger zijn beroemde maar vaak verkeerd begrepen uitspraak doen, die luidt: ‘Hoger dan de werkelijkheid staat de mogelijkheid’. Hiermee bedoelt hij niet dat de werkelijkheid minder belangrijk is dan de mogelijkheid maar dat die mogelijkheid vooraf gaat aan de werkelijkheid, de grond hiervan vormt. Vanuit de oneindige mogelijkheden die het leven ons biedt – en die ons op de één of andere manier beroeren of bewegen tot keuzes en daden  – kan er pas zoiets als werkelijkheid verschijnen.

Aanhakend bij het boek van Ger Groot zouden we kunnen zeggen dat de openheid waar Heidegger over spreekt ons in staat stelt het kunstmatige en geconstrueerde – Heidegger zou zeggen: het gangbare – te overstijgen. Overstijgen niet in de zin van dat je erboven’ komt te staan maar, ik zou bijna zeggen, eronder’. Je gaat juist meer naar de oorsprong toe, de grond van het bestaan.  Een open, ontvankelijke houding stelt ons in staat de werkelijkheid in haar oorsprong, nl. als mogelijkheid te zien en ervaren. Maar wat is dat eigenlijk: mogelijkheid?

Op dit punt wil ik een brug slaan naar Meister Eckhart die Heidegger in grote mate geïnspireerd heeft.

 

‘Ontvankelijkheid’ bij Eckhart

Meister Eckhart spreekt over God zoals Heidegger over het Zijn spreekt, vol ontzag maar zonder er een specifieke invulling aan te geven. Ook voor Eckhart vormt het passieve, ontvankelijke element in de ziel de  meest wezenlijke, eigenlijke kern van de mens. Deze kern duidt hij aan als ‘de grond van de ziel’.  Alleen hier, in de grond, kan volgens Eckhart de Godsgeboorte plaatsvinden, oftewel: de vereniging van het menselijke met het goddelijke. Waarom alleen hier? Omdat het ontvankelijke, passieve deel van de mens leeg en vrij is van alle voorstellingen, verlangens, oordelen en aannames – van al het kunstmatige en geconstrueerde dus – die deze vereniging in de weg staan. Hier, in de grond, is de mens volkomen ontvankelijk en open voor de vereniging met het goddelijke.  Hoewel de mens, met zijn voortdurende gepreoccupeerdheid met zichzelf en met de wereld, in de verste verte niet gelijk is aan God, is er in de grond – waar alleen maar pure leegte en ontvankelijkheid heerst – geen onderscheid. En dat bedoelt Eckhart als hij zegt: ‘Gods grond en mijn grond zijn één grond’.

Zoals ik al aangaf weigert Eckhart God te vangen in specificaties, in bepalingen van wat hij wel en niet is.  God is, aldus Eckhart, zo volkomen vrij van alle eigenschappen, bepalingen oftewel, van alle zijn (dat bepaalt is), dat Eckhart kan zeggen dat hij niet-zijn of niets is. Gekoppeld aan de terminologie van Heidegger zou je kunnen zeggen dat God geen werkelijkheid maar veeleer mogelijkheid is en dat houdt strikt genomen in: zuivere vrijheid.

Waar zowel Eckhart als Heidegger ons bewust van willen maken is dat ook de mens in de grond vrijheid is. De mens bezit de vrijheid niet, maar wordt pas mogelijk door die vrijheid en is daarom, aldus Heidegger, een mogelijkheid van vrijheid. Als we in staat zijn vanuit die vrijheid te leven zijn we ook in staat om op een meer oorspronkelijke manier met onszelf, de ander en de werkelijkheid in relatie te treden. Dit is misschien nog wel het sterkst ervaarbaar in intermenselijke relaties. Wanneer je een ander mens op een volstrekt open manier tegemoet treedt – dus zonder op voorhand (d.i. op basis van eerdere ervaringen of verhalen met betrekking tot die persoon) invulling te geven aan wie die mens is – dán ontstaat er  ruimte voor het verrassende, het nieuwe, het onverwachte dat die ander te bieden heeft. Dat komt omdat je die ander niet vastzet in een kunstmatig beeld dat die persoon bij je oproept maar hem of haar respecteert in de mogelijkheid die hij/zij in wezen is.

 

Slot 

Laten we nu terugkeren naar de oorspronkelijke vraagstelling: hoe scherp is de grens tussen fictie en werkelijkheid? In de eerste plaats zagen we dat die grens zo scherp of vaag is als wij zelf willen. Het al dan niet bestaan van de grens hangt samen met onze eigen innerlijke houding of gesteldheid. Die bepaalt of we fictie primair als een negatie van de werkelijkheid, of juist als sleutel tot die werkelijkheid zien. Bovendien geloof ik dat de fictieve werkelijkheid niet alleen is voorbehouden aan literatuur, film etc. maar deel uitmaakt van onze werkelijkheid in het algemeen. Het is een waarheidsniveau dat voorbij gaat aan de zichtbare en toetsbare onwrikbaarheden van de empirie en uitdrukking geeft aan de diepste menselijke waarheden. Ik wil – in aansluiting hierop – graag eindigen met enkele woorden  uit Het Oneindige Verhaal, uitgesproken door de antiquair die Bastiaan aan het eind van het boek weer tegenkomt en aan wie hij verslag doet van zijn grote avontuur:

‘Elk echt verhaal is een oneindig verhaal.’ Zijn blik ging naar de vele boeken die tot aan het plafond tegen de muren stonden.[…] Hij wees er met de steel van zijn pijp naar en vervolgde: ‘Er zijn een hele hoop deuren die toegang geven tot Fantásië, mijn jongen. Er zijn nog meer van zulke toverboeken. Veel mensen merken daar niets van. Het gaat er maar om wie zo’n boek in handen krijgt.’[…] ‘Bovendien zijn er niet alleen boeken, er zijn ook andere mogelijkheden om in Fantasië te komen. Dat zul je nog wel merken.’

 

[1] Malmgren, C.D.,  Fictional space in de modernist and postmodernist American novel, Bucknell university Press, 1985

[2] Groot, G., Vergeten te bestaan – Echte fictie en het fictieve ik, Uitgeverij VanTilt, 2010

[3] Ende M., Het oneindige Verhaal, Uitgeverij Sijthoff, 1985

[4] Zie ook M. Casey, Sacred reading. The ancient art of lectio divina, Liguori/Triumph, 1996, pp. 61

[5] Pas na de 12e eeuw werd christelijke mystiek vaker ‘extatisch’ (veel visioenen), meer ‘scholastiek’ (schematisering van religieuze ervaring) en speculatiever. Zie Dom Cuthbert Butler, Western mysticism, Arrow 1960 [1926], pp. 180-187

[6] Cit. in Bianchi, ‘God ontmoeten in zijn Woord’, 12e herziene editie, Monastieke Cahiers 40, Abdij Bethlehem Bonheiden, 1991, pp. 81-2

[7] Idem, pp. 54

[8] Zie ook G. Meynen Vrijheid en Tijd,  Budel: DAMON, 2005 , p. 81

One thought on “Voorbij de werkelijkheid, de werkelijkheid voorbij

  • 09/05/2014 at 11:15
    Permalink

    Prachtig stukje dat mijn pelgrimsweg helderder verlicht, dank daarvoor. In het bijzonder Bastiaans belevenissen.

    Het sluit mooi aan bij de boeken van Tjeu v.d. Berk en zijn lezing over de symboliek van de film.

    In het Hindoeïsme zou men (volgens mij) spreken over “Maya” = illusie en “MahaMaya” = grote-illusie. Maya is onze persoonlijke leefwereld. MahaMaya is dan wat in dit stukje “werkelijkheid” genoemd wordt; onze zintuigelijke verschijnselen wereld noem ik het maar.

    Wat het opgaan in (identificatie met) verhalen en mythen betreft… is in deze tijd film, video en youtube het medium veel meer dan het stoffige boek op zolder, hoe romantisch ook. Ik kan uren kijken naar zowel de Mahabharata, “Om Namah Shivaya” als startrek, de ban van de ring.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *