Over het begrip ‘vrijheid’ bij Heidegger

landschap2Heideggers vrijheidsdenken komt nog het meest expliciet naar voren in twee van zijn werken: Vom Wesen des Grundes (1929) en  Vom Wesen der Wahrheit (1930)[1]. In het eerste boekje heet de vrijheid ‘vrijheid tot de grond’ (Freiheit zum Grunde). In  het tweede verschijnt vrijheid ten tonele als ‘het laten-zijn van het zijnde’ (das Sein-lassen des Seienden). Wat verstaat Heidegger onder deze beide formules, hoe verhouden deze zich tot elkaar en in welk opzicht verschilt Heideggers vrijheidsbegrip van wat de moderne mens gewoonlijk onder vrijheid verstaat?

Vrijheid als afgrond van het Dasein

In WG laat Heidegger ons het Dasein (in-de-wereld-zijn) als transcendentie begrijpen. Het Dasein is zijnde met als grondkenmerk dat het overschrijdend is. Wat wordt overschreden is het zijnde. Dasein is zijnde en overschrijdt dus zichzelf. Transcendentie behoort aldus tot de grondstructuur (het wezen) van het Dasein, dat zich tot zijn wereld en tot zichzelf verhouden kan omdat het zichzelf overstijgt in het omwille van[2]. De transcendentie nu is volgens Heidegger vrijheid:

‘Was nun aber seinem Wesen nach so etwas wie das Umwillen überhaupt entwerfend vorwirft und nicht etwa als gelegentliche Leistung auch hervorbringt, ist das, was wir Freiheit nennen. Der Úberstieg zur Welt ist die Freiheit selbst.’ (WG 163)

Vrijheid is alleen mogelijk door een transcenderen überhaupt en houdt in dat je je verbindt met een maatstaf, een grond: ‘Vrijheid is vrijheid tot de grond’ (WG 165). Die maatstaf/grond verheft je boven een realiteit, maakt je vrij. [3] De vrijheid als transcendentie is voor Heidegger niet slechts een ‘soort’ grond maar het begin, de oorsprong van grond als zodanig. Het wordt met andere woorden pas met de vrijheid mogelijk dat zich gronden voordoen; pas in vrijheid kunnen zijnden en een wereld verschijnen.

De vrijheid als grond nemen, betekent dat die grond wordt tot een afgrond: ‘Als dieser Grund aber ist die Freiheit der Ab-grund des Daseins.’[4] (WG 174) Deze afgrond is een positief begrip want het staat voor openheid, voor ontvankelijkheid ten aanzien van mogelijkheden die zich aan je voordoen. Pas door de afgrondelijkheid – opgevat als openheid – is het Dasein een zijnde waaraan mogelijkheden kunnen verschijnen.: ‘[…] die Freiheit stellt in ihrem Wesen als Transcendenz das Dasein als Seinkönnen in Möglichkeiten.’[5] (WG 174)

Vrijheid en openheid – het laten-zijn van het zijnde

Ook in zijn waarheidsdiscours stelt Heidegger de vrijheid centraal. ‘Das Wesen der Wahrheit […] ist die Freiheit’, zegt Heidegger in WW (186). De verschillende denkwegen in WG en WW wortelen aldus in dezelfde oorsprong: de vrijheid. Door vrijheid te koppelen aan het woordje ‘openheid’ – een centraal begrip in WW – hebben we de verbindende schakel te pakken tussen de beide teksten, hetgeen ik hieronder zal toelichten.

Openheid is alleen relevant als er iets staat te gebeuren en heeft alleen maar zin als dat wat staat te gebeuren niet door jezelf gedaan kan worden. Het overkomt je = passief. Dit haakt in op Heideggers vrijheidsdenken, dat wordt gekenmerkt door een zekere ontvankelijkheid. Hij ziet de kern van vrijheid als iets passiefs, als een bewogen/aangeraakt/gecharmeerd worden etcetera, en dan pas als iets actiefs: ik ga er iets mee doen, ik laat mij erdoor bewegen (waarin ook weer een passief element zit). Dit passieve, ontvankelijke element klinkt ook door in de wijze waarop Heidegger de vrijheid ter sprake brengt in WW, namelijk als ‘het laten-zijn van het zijnde’ (‘Freiheit enthüllt sich jetzt als das Seinlassen von Seiendem.’ WW 188) Het laten-zijn van het zijnde betekent: zich inlaten met openheid, met onverborgenheid/waarheid – ter plaatse van het zijnde (WW 188). Hierdoor kan het zijnde zich pas als maat, als mogelijkheid openbaren:

‘Wenn aber das ek-sistente Da-sein als das seinlassen von Seiendem den Menschen zu seiner ‘Freiheit’ befreit, indem sie ihm überhaupt erst Möglichkeit (Seiendes) zur Wahl stellt und Notwendiges (Seiendes) ihm aufträgt, dann verfügt nicht das menschliche Belieben über die Freiheit.’ (WW 190)

Dasein is als vrijheid niet aan de willekeur uitgeleverd maar gebonden aan de mogelijkheden die zich aan hem voordoen (= noodzaak/urgentie). Het komt er op aan deze mogelijkheden op je toe te laten komen, terug te treden voor het zijnde zodat het zich als mogelijkheid kan openbaren.[6] Dit veronderstelt openheid.

Wat gangbaar is, de normaliteit, is waar Heidegger de openheid tegen afzet. Hierin zit je vast. Het project van de filosofie is, wat Heidegger betreft, om deze openheid zichtbaar te maken. De consequentie is het zich voordoen van de grond, de maatstaf. (Deze móet zich voordoen, het is geen kwestie van ‘nagaan’ daar het project zichzelf hiermee ondermijnt). Deze filosofie is exact gelijk in beide teksten: hoe kan een mens borg staan voor de beslissende maatstaf die zich aan hem voordoet? Dit impliceert vrijheid, echter geen willekeur:

‘Freiheit ist nicht nur das, was der gemeine Verstand gern unter diesem Namen umlaufen lässt: das zuweilen auftauchende Belieben, in der Wahl nach dieser oder jener Seite auszuschlagen. Freiheit ist nicht die Ungebundenheit des Tun- und Nicht-tunkönnens. Freiheit ist aber auch nicht erst die Bereitschaft für ein Gefordertes und Notwendiges (uns so irgendwie Seiendes). Die freiheit ist alldem (der ‘negativen’ und ‘positiven’ Freiheit) zuvor die Eingelassenheit in die Entbergung des Seiendes als eines Solchen.’ (WW 189)

De mens als een mogelijkheid van vrijheid

Met het oog op het voorgaande wordt duidelijk dat Heidegger een ander begrip van vrijheid heeft dan wat de moderne mens hier gewoonlijk onder verstaat. Vrijheid moet bij Heidegger niet in de eerste plaats begrepen worden als een kiezen tussen verschillende  mogelijkheden (actief) maar als het geplaatst/gebracht worden voor mogelijkheden (passief).[7] Die mogelijkheden – die als zodanig het onvoorziene (het afgrondelijke!) in zich bergen – zijn in die zin groter dan het Dasein zelf en kunnen daarom niet gecontroleerd of ‘overzien’ worden. Je moet je er aan overgeven om de rijkdom te ervaren die erin besloten ligt. Anders gezegd: pas vanuit openheid/ontvankelijkheid kan zich het onverwachte, het nieuwe tonen; de openheid maakt pas dat je hier oog voor hebt.

De vrijheid kan bij Heidegger niet benaderd worden in het licht van vertrouwde bepalingen over wat de mens allemaal is en kan, maar dient daarentegen vooropgesteld te worden, wil de mens in zijn wezen (d.i. de vrijheid) begrepen worden. Dit impliceert dat niet de mens de vrijheid bezit (als eigenschap), maar andersom, dat de vrijheid de mens ‘bezit’ (WW 190). Deze gedachte zien we verder uitgewerkt in Vom Wesen der menslichen Freiheit (1930)[8], waarin Heidegger de mens begrijpt als een ‘mogelijkheid van vrijheid’:

‘Mensliche Freiheit heisst nicht mehr: Freiheit als Eigenschaft des Menschen, sondern umgekehrt: der Mensch als eine Möglichkeit der Freiheit. Mensliche Freiheit ist die Freiheit, sofern sie im Menschen durchbricht und ihn auf sich nimmt, ihn dadurch ermöglicht. Wenn die Freiheit grund der Möglichkeit des Daseins ist, die Wurzel von Sein und Zeit und damit der Grund der ermöglichung des Seinsverständnisses in seiner ganzen Weite und Fülle, dan ist der Mensch, gründend in seiner Existenz auf und in dieser Freiheit, diejenige Stätte und Gelegenheit, an der und mit der das Seiende im Ganzen als solches hindurchspricht und so ausspricht.  […] Jetzt aus dem Grunde seines Wesens, der Freiheit, gesehen, wird uns das ungeheure und Wunderbare deutlich, dass er als das Seiende existiert, in dem das Sein des Seienden und damit dieses im Ganzen offenbar ist’ (WF 135)

In dit gebeuren, waarin de vrijheid de mens op zich neemt en mogelijk maakt en waarin de mens – een ‘Wesen der Ferne’ – transcenderend boven zichzelf uitstijgt in mogelijkheden, ontstaat ruimte/afstand, van waaruit het mogelijk is een verhouding tot zichzelf en tot anderen te onderhouden. Heidegger noemt die afstand aan het einde van WG een ‘verte’. Die verte betekent niet alleen dat het Dasein zich van zichzelf en van de wereld verwijderd, maar opent tegelijkertijd de mogelijkheid om de dingen en om anderen, die met mij in de wereld zijn, nader-bij te komen. Zo duidt de vrijheid tot de grond uiteindelijk de beweging van de zelfoverstijging aan die – een afgrondelijke openheid constituerend – mij mezelf en anderen werkelijk nabij laat zijn:

‘Nur durch ursprüngliche Fernen, die er sich in seiner Transcendenz zu allem Seienden bildet, kommt in ihm die wahre Nähe zu den Dingen ins Steigen. Und nur das Hörenkönnen in die Ferne zeitigt dem Dasein als Selbst das Erwachen der Antwort des Mitdaseins, im Mitsein mit dem es die Ichheit darangeben kann, um sich als eigentliches Selbst zu erwinnen.’ (WG 175)

 

Bibliografie

Heidegger, M., Wegmarken, Gesammtausgabe, Band 9,  Frankfurt am Main: Klostermann 1976.

Heidegger, M., Over het wezen van de grond – Over het wezen van de waarheid, Vert. Harald van Veghel, Budel: Damon, 2001

Heidegger, M., Vom Wesen der menschlichen Freiheit (GA 42), Frankfurt am Main, Klostermann 1988

Meynen, G. Vrijheid en Tijd – Het begrip herhaling in Heideggers Sein und Zeit, Budel: Damon, 2006

 


[1] Heidegger, M., Wegmarken, Gesammtausgabe, Band 9,  Frankfurt am Main: Klostermann 1976. (Nederlandse vertaling: Martin Heidegger, Over het wezen van de grond – Over het wezen van de waarheid Vert. Harald van Veghel, Budel: Damon, 2001.) Heideggers hoofdwerk Sein und Zeit gaat niet over vrijheid. Het is echter wel mogelijk om de vrijheid in Vom Wesen des Grundes en in Vom Wesen der Wahrheit terug te projecteren in Sein und Zeit, zie: Gerben Meynen, Vrijheid en Tijd – Het begrip herhaling in Heideggers Sein und Zeit, Budel: Damon, 2006

[2] Omwille van is gelijk aan het kunnen-zijn – zie noot 5

[3] Hiermee wordt de zedenwet van Kant gedynamiseerd, immers, ook bij Kant is vrijheid verbonden aan een ‘waartoe’, namelijk de morele wet.

[4] Gerben Meynen geeft in zijn boek een verhelderende analyse van dit begrip ‘afgrond’. Hij stelt dat de sleutel tot het begrip van wat Heidegger met de afgrond bedoelt, ligt in de als zelfoverstijging gedachte transcendentie: ‘Als we namelijk de zelfoverstijging als beweging denken, dan is die af-grond daarin eigenlijk al zichtbaar. In de transcendentie overstijgt het Dasein zichzelf en op die manier wint het Dasein hoogte en afstand. Door het winnen van afstand tot zichzelf ontstaat er een afgrond. Op die manier wordt er in de overstijging onherroepelijk een afgrond gecreëerd.’

[5] ‘Kunnen-zijn’ (Seinkönnen – een aleutelterm in SuZ en equivalent met ‘omwille-van-zichzelf’) is allesomvattend, oftewel: oningevulde mogelijkheid. Het menselijk Dasein is met andere woorden een open wezen, hetgeen vrijheid impliceert.

[6] Een van de belangrijkste thesen uit Sein und Zeit luidt dat de mogelijkheid hoger dan de werkelijkheid staat (SuZ, p. 38). Dit betekent echter niet dat de werkelijkheid minder belang heeft dan de mogelijkheid maar dat de werkelijkheid pas gedacht kan worden vanuit haar mogelijkheidskarakter. De mogelijkheid staat dus in die zin hoger dan de werkelijkheid dat vanuit haar mogelijkheidskarakter de werkelijkheid kan verschijnen.

[7] Zie ook G. Meynen Vrijheid en Tijd, p. 81

[8] Heidegger, M., Vom Wesen der menschlichen Freiheit (GA 42), Frankfurt a.M. 1988 (oorspronkelijk 1936).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *