Meister Eckhart, mysticus… of filosoof?

images (4)Eckhart von Hochheim (1260-ca. 1328), beter bekend als Meister Eckhart, gaat tegenwoordig voor velen door als één van de grootste mystici uit de Westerse geschiedenis. Hoewel Meister Eckhart in de eerste plaats als mysticus beschouwd wordt, onderscheidt hij zich echter van andere christelijke mystici zoals Johannes van het Kruis, Johannes Tauler en Jan van Ruusbroeck door zijn filosofische taal en onderlegdheid.

Naast zijn mystiek georiënteerde preken schreef Eckhart verschillende filosofische (Latijnse) traktaten, die de vrucht vormden van een langdurige en intensieve academische loopbaan aan de universiteit van Parijs. In Duitsland was hij gedurende zijn gehele leven zeer actief als prediker en geestelijk leidsman in de vele Dominicaanse kloosters in de omgeving van het Rijnland, waar hij zijn preken in de volkstaal ten gehore bracht.

Als we Eckharts geestelijke leven in ogenschouw nemen zien we een leven dat enerzijds is gewijd aan de (filosofische) rede, anderzijds een leven dat volledig in dienst staat, en getuigen wil, van de goddelijke werkelijkheid in de grond van ons wezen. Eckhart bewandelt de weg van het midden. Die innerlijke weg op het scherpst van de snede, waar hoofd en hart in een dynamisch spanningsveld met elkaar staan. Dit spanningsveld, dat we het kruispunt zouden kunnen noemen waarop filosofie en mystiek samenkomen, geeft Eckharts woorden een fascinerende diepgang, maar kan de geïnteresseerde en onbevangen lezer ook de nodige verwarring bezorgen. Zo benadrukt Eckhart in zijn preken keer op keer dat de eenheid met God in het intellect, en nergens anders dan in het intellect, plaatsheeft. Op andere momenten zegt Eckhart dat het menselijk intellect nooit en te nimmer in staat is om tot God door te dringen en dat het daarom ‘tot zwijgen moet worden gebracht’. Enerzijds zegt hij dat de vereniging met God het hoogste doel vormt voor de menselijke ziel, anderzijds mag de mens hier niet naar streven maar moet hij God en zichzelf volkomen vergeten. Eckhart grijpt in zijn preken ieder middel aan om het ik en zijn orde aan het wankelen te brengen, en de bodem, die niet tot de ware grond laat komen, onder de voeten weg te trekken. Zijn taal is de paradox, zijn ‘methode’ de schok.

De nauwe verwevenheid van rede en ervaring, van filosofie en mystiek in het werk van Eckhart, roept niet alleen de nodige vraagtekens op bij zijn publiek maar schept ook verwarring en tweedracht binnen het wetenschappelijk onderzoek naar leven en denken van de Duitse dominicaan. Verschillende Eckhart-specialisten plaatsen zijn werk binnen een exclusief metafysisch kader en beschouwen ‘mystiek’ als een term die geenszins van toepassing is op Eckharts – in de kern – strikt wijsgerige denken. Anderen zijn juist van mening dat Eckhart zich in zijn geschriften weliswaar een groot Lesemeister betoont maar toch boven alles beschouwd moet worden als een Lebemeister, wiens woorden hun oorsprong vinden in een ervaringsmatige, diep doorleefde mystieke kennis. Maar is het eigenlijk wel nodig een keuze tussen deze beide maken?

In één van zijn preken zegt Eckhart het volgende over de vereniging met God:

‘Vóór alles is dit noodzakelijk: eigen je niets toe. Laat jezelf helemaal los en laat God het werk in en voor je doen zoals Hij dat wil. Het werk wordt dan het Zijne, het woord het Zijne, de geboorte de Zijne en alles wat je bent helemaal. Want jij hebt jezelf losgelaten en bent uit je vermogens en hun werking en uit de eigenheid van jouw wezen weggetrokken. Daarom moet God helemaal in je wezen en je vermogens binnengaan, omdat jij jezelf van alle eigenheden hebt beroofd en jezelf woest en ledig hebt gemaakt, zoals geschreven staat: ‘De stem roept in de woestijn.’ Laat deze eeuwige stem in je roepen zoals het haar behaagt, en wees leeg van alles, wees woestijn.’[1]

Op het eerste oog hebben we hier te maken met een zuiver mystieke passage. Lezen we de passage echter  in de historisch-filosofische context waarin deze geschreven is, dan blijkt dat Eckhart in directe dialoog staat met de filosofische opvattingen en leerstellingen van zijn tijd. Dit zal ik kort proberen toe te lichten.

Eckhart roept in voornoemde passage zijn publiek op om het zelf, de vermogens en hun werking volledig los te laten. Met de ‘vermogens’ doelt Eckhart op de intellectuele capaciteiten van de mens: het denken, herinneren en streven. Hij refereert met deze opmerking aan de filosofie van de Griekse filosoof Aristoteles. Volgens Aristoteles ligt het hoogste geluk van de mens in de ontwikkeling en vervolmaking van zijn belangrijkste vermogen – het denken of kennen. Het ontwikkelen van dit vermogen is volgens Aristoteles niet zozeer iets wat de mens eventueel kán doen, maar iets wat hij móet doen, en wel omdat het nu eenmaal in zijn natuur besloten ligt (daarom sprak men vroeger van het natuurlijke vermogen). Eckhart accepteert Aristoteles’ filosofie in grote lijnen maar gelooft dat er nog iets verborgens in de menselijke natuur ligt, een goddelijke vonk of grond die de natuurlijke vermogens van de mens transcendeert. Nu wordt de mens doorgaans zo in beslag genomen door zijn persoonlijke verlangens, gedachten, overtuigingen en meningen oftewel: door de werking van zijn vermogens, dat hij/zij er niet toe komt zich bewust te worden van zijn goddelijke grond. Daarom roept Eckhart de mens op zijn vermogens ’tot zwijgen te brengen’, en volkomen leeg en ontvankelijk worden. Voor een filosoof is dit een lastige uitspraak, want hoe kan iemand nu zijn vermogens uitschakelen en toch in staat zijn te functioneren in de wereld? Om te kunnen functioneren heb ik immers mijn intellectuele vermogens, mijn bewústzijn nodig.

Op dit punt vindt bij Eckhart de sprong plaats van de filosofie naar de mystiek, van de mens naar God. En juist met deze manoeuvre onderstreept Eckhart de uiteindelijke noodzaak om de aandacht uit het eigen denken en kennen los te maken en te verankeren in de oorzaak van het kennen zelf, dat is: in God. Om deze dynamiek – waarin God de werkzaamheid overneemt en ik stil en ontvankelijk ben – zo treffend mogelijk in woorden te vatten, gebruikt Eckhart de metafoor van de geboorte:

‘In deze geboorte stort God zich met een zodanig licht in de ziel uit, dat  dit licht in het zijn en in de grond van de ziel zo groot wordt, dat het zich naar buiten werpt en overstroomt in de vermogens en ook in de uiterlijke mens.’

Het ‘loslaten’ van de vermogens betekent dus niet dat de mens zich, als een soort kluizenaar,  in totale passiviteit uit de wereld terugtrekt, maar duidt een innerlijke toestand aan waarin de mens ophoudt te dénken dat hij weet, en volkomen ontvankelijk wordt voor het ondoorgrondelijke en allesdoordringende mysterie. Dán wordt die mens transparant voor dit ‘licht’, dat nu in staat is zich via deze mens en zijn vermogens te manifesteren in de wereld.

Besluit

Wat ik met dit schrijven aanschouwelijk heb willen maken, is dat Eckhart de filosofie niet boven de mystiek plaatst of vice versa, maar dat hij de filosofie inzet om zijn mystieke intentie en boodschap te verhelderen. Of hij daarin slaagt laat ik hier in het midden. Wel geloof ik dat we Eckhart pas werkelijk recht doen, als we hem zowél in filosofisch als in mystiek opzicht serieus nemen.


[1] De passage maakt onderdeel uit van de zogenaamde Gottesgeburtszyklus, een cyclus van vier preken die Eckhart tijdens de kerstviering ten gehore bracht. In de prekencyclus behandelt Eckhart het centrale thema binnen zijn mystieke prediking: de Godsgeboorte in de grond van de ziel.

One thought on “Meister Eckhart, mysticus… of filosoof?

  • 15/01/2011 at 17:50
    Permalink

    Mevrouw,
    dank voor uw prachtige stuk over Meister Eckhart!
    Ben bezig met het voorbereiden van een lezing over de transformerende kracht van de geest. Het is dan prachtig zoals beschreven wordt hoe het licht (de geest) de ziel vervult, en zo alle menselijke (ken)vermogens transcendeert, (en ik zou zeggen)maar ook onze existentie tranformeert. Hoe ons denken, voelen en handelen geinspireerd worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *