Meister Eckhart – een Filosofie van Vrijheid

ganzenEen van de belangrijkste thema’s in het werk van Meister Eckhart is het thema van de Godsgeboorte in de grond van de ziel. Voor Eckhart is de natuur van de mens, in de zin van zijn vervulling/voleinding, de vereniging met God. Maar wat is de implicatie van dit deelachtig zijn aan God, voor die mens? En waar wordt hij in de kern deelachtig aan? Wie of wat is nu precies deze God van Eckhart? 

Het antwoord hierop is in mijn optiek: vrijheid. Ik zie deze vrijheid bij Eckhart in verschillende gedaantes naar voren komen. Allereerst lezen we in Eckharts Quaestio Parisiensis I[1], dat het denken vrij is in die zin dat het intellect de macht heeft te denken wat in het zijn niet kan bestaan: wij kunnen ons het vuur denken zonder de warmte daarvan erbij te denken. De mens heeft dus sowieso het vermogen zich van het zijn te abstraheren en daarmee in het domein van het niet-bepaald-zijn, d.i. de vrijheid, te vertoeven. Hoewel voor dit vermogen nog geen vereniging met God nodig is, demonstreert dit misschien al wel wat mogelijk is. Een verdere ontvankelijkheid voor God zou dan kunnen betekenen dat het denken – via het abstraheren – zijn vrijheid verder kan vergroten. Het denken van de mens in wie de Godsgeboorte volledig plaatsvindt moet dan zo volkomen vrij zijn (d.i. geabstraheerd zijn van het zijn) dat het door geen enkel beeld van het geschapene, oftewel, door geen enkele vorm van bepaald zijn meer gehinderd wordt.

Deze vrijheid moet dus begrepen worden als een vrij zijn van alle bepaaldheid, m.a.w. een vrij zijn van het zijn. Bij Eckhart is het zijn per definitie onvrij en het niet-zijn vrij. De mens die gericht is op het zijn is daarmee ook onvrij en hij die zich richt op het niet-zijn, vrij. Maar hoe moeten we ons deze gerichtheid op het niet-zijn voorstellen? In Eckharts jargon als een verlangen of hunkering naar vrijheid.

‘Met het zijn stelt het [intellect] zich slechts tevreden, en dat trekt God stap voor stap terug om het intellect tot ijver aan te zetten en tot voortgaan te prikkelen, opdat het steeds verder volgt en steeds meer grijpt naar het ware grondeloze goede en zich met geen enkel ding tevreden stelt en steeds sterker hunkert naar het allerhoogste goed.’[2]

Maar hoe kunnen we dit rijmen met de voorwaarde dat denken, verlangen en herinneren tot zwijgen moeten worden gebracht? Eckharts antwoord hierop is dat dit hunkeren niet van het ik uitgaat, maar van God zelf.[3] De hunkering is als het ware een verlangen in overtreffende trap. Eckhart koppelt het tot zwijgen brengen van de vermogens als gevolg van deze hunkering  in één van zijn preken zelfs aan het begrip ‘geweld’.[4]

We zouden kunnen zeggen dat deze hunkering de taal is waarin God zichzelf mededeelt. En als we God zien als vrijheid[5] is het hunkeren niets anders dan de vrijheid die naar zichzelf hunkert.[6] Het ik, in de zin van dat wat zich op het bepaalde richt, maakt dus plaats voor vrijheid.

Deze hunkering naar vrijheid demonstreert vrijheid. Dit betekent dat het hunkeren naar vrijheid en het ontvangen van vrijheid één en gelijktijdig zijn:

‘Het is één moment: het bereiden en het ingieten. Wanneer de natuur haar grootste hoogte bereikt, geeft God genade: op hetzelfde ogenblik waarop de geest bereid is, gaat God zonder oponthoud of aarzeling binnen. […] Het gebeurt op één en hetzelfde moment, dat opendoen en dat binnengaan’.[7]

Het ‘bereiden’ kunnen we hier lezen als de hunkering. Het is een volstrekt onmiddellijk, onbemiddeld ‘gebeuren’ waarin de mens geen actieve maar een passieve rol te vervullen heeft. Wat de mens daarin te doen lijkt te hebben is niets anders dan een zich overgeven aan deze hunkering. Het is geen grijpen naar, maar veeleer een gegrepen (geraakt) worden, of nog anders gezegd: een zich gevangen laten nemen door de vrijheid.

‘Kijk daarom alleen naar die angel uit, dan wordt je gelukzalig gevangen, en hoe meer gevangen, des te meer bevrijd.[8]

Een mens die zijn ‘grootste hoogte heeft bereikt’ is dan een mens die ‘gevangen is’ in vrijheid. Die mens kan niet anders meer dan de vrijheid demonstreren, vrijheid zijn. Dit ‘gevangen zijn in vrijheid’ lijkt een paradox, maar is dat niet. Het is een altijd en onconditioneel vrij zijn, waaraan geen ontsnappen meer is. Het is niet meer op mijn voorwaarden, niet meer een ‘nu wel maar straks even niet’. De mens wordt er volledig door in beslag genomen:

‘Het is eigen aan die geboorte dat ze steeds met een nieuw licht gebeurt. Ze brengt steeds groot licht in de ziel, want het ligt in de aard van de goedheid dat ze zich moet uitstorten, waar ze ook is. In deze geboorte stort God zich met een zodanig licht in de ziel uit, dat dit licht in het zijn en in de grond van de ziel zo groot wordt, dat het zich naar buiten werpt en overstroomt in de vermogens en ook in de uiterlijke mens.’[9]

De door vrijheid gevangen mens gaat blijkbaar niet meer alleen die mens zelf aan, maar heeft ook implicaties voor de wereld om hem heen.

 

Praktische implicaties

De Godsgeboorte moet niet worden opgevat in de zin van een mystieke vervoering maar houdt in dat het verstand zich bewust wordt van zijn natuur, als het de goddelijke basis, de ongeschapen grond, in zich vrijmaakt. Eckhart wijst er in de preken echter herhaaldelijk op dat de vereniging met God steeds het voorbehoud kent dat deze niet vanuit de mens te bewerkstelligen is maar, evenals Thomas’ visio beatifica, afhankelijk is van Gods genade. Dit betekent dat de Godsgeboorte, vanuit het perspectief van de mens bezien, alleen dan als een vereniging met het absolute gedacht kan worden wanneer de betrekking tot God als een alle betrekkingen overschrijdende onmiddellijkheid ervaren wordt. Deze onmiddellijkheid, die niet als constitutief moment van het menselijke intellect begrepen mag worden, komt tot uitdrukking in het theologische begrip van de genade. De Godsgeboorte in de mensenziel is de uitdrukking en belichaming van die genade, waarin de mens wordt, wat God van nature is. Daarom vindt het intellect bij Eckhart zijn vervulling in laatste instantie niet zozeer in de zelfwerkzaamheid of zelfreflectie, maar – als zielsgrond – juist precies in het tegenovergestelde, namelijk in het prijsgeven van het zelf en alle intentionaliteit[10].

Het zich ontvankelijk maken voor God wil dus zeggen, het zich bereidwillig prijsgeven aan (gevangen laten nemen door) het oningevulde, aan de leegte die aan het eigen zijn ten grondslag ligt. Dit is alleen weggelegd voor de mens die in staat is het reeds op voorhand invulling geven aan het zijnde (via zijn voorstellingen, strevingen, oordelen etc.) los te laten en zo het zijn op zichzelf vrij te geven. Dit laatste impliceert echter in geen geval dat de mens onverschillig wordt voor het zijn of voor de wereld, maar – zo betoog ik – juist veeleer dat de mens zich er voor vrijmaakt. Pas dan kan hij immers werkelijk voor die wereld ontvankelijk zijn, en hiermee op een oorspronkelijke wijze in relatie treden.

Interessant in deze context is de passage uit preek IV waarin Eckhart zegt:

‘Als deze geboorte echt plaatsvindt, dan kan geen schepsel je meer hinderen, sterker: ze wijzen je alle op God en op die geboorte […] ja, alle dingen worden voor jou louter God, want in alle dingen heb je enkel en alleen God op het oog. Precies zoals wanneer je lang in de zon kijkt: in wat je daarna ziet vormt zich de zon’.[11]

Alles wordt als het ware transparant tot op God.[12] De dingen vormen geen hindernis meer, maar helpen je verder. We raken hier aan het thema van de contemptus mundi, die de monastieke spiritualiteit altijd heeft bezig gehouden. Het wordt bij Eckhart duidelijk dat de wereld zelf niet het probleem is, maar onze gehechtheid eraan, onze voortdurende gepreoccupeerdheid ermee. Het gaat om een proces van loslaten, om dan vanuit de verworven vrijheid opnieuw met die wereld – en dus ook met de medemens – in relatie te treden. Die vormt dan geen hindernis meer maar is bondgenoot.

Dit gaat echter niet vanzelf. De mens dient zich te gaan oriënteren op zijn ware natuur, d.i. op de mogelijkheid om tot vrijheid te komen. Die mogelijkheid bestaat niet buiten de mens, de mens zélf is mogelijkheid. Hij staat, in tegenstelling tot wezens die niet met intellect begiftigd zijn, voor existentiële, zijn hele wezen aanrakende beslissingen en heeft daarin steeds twee mogelijkheden: de eerste mogelijkheid berust op een keuze die de mens zelf moet maken; op de bereidheid om de hunkering naar vrijheid – hoe groot of klein ook – ruimte te geven. De andere mogelijkheid is dat die keuze niet wordt gemaakt en hij gewoon doorgaat met leven, een bestaan echter waaraan hij tot op zekere hoogte is ‘overgeleverd’.

We zijn dus niet automatisch vrije mensen, de keuze voor vrijheid gaat hier aan vooraf. Als een mens die keuze niet maakt, is werkelijke vrijheid onmogelijk, en kan er hoogstens sprake zijn van relatieve vrijheid.

De uiteindelijke doorbraak (durchbrech – een woord dat we in vele preken van Eckhart tegenkomen) vraagt om een wezenlijke verandering van instelling.[13] Een bereidheid tot het verstaan van wat we ook  – via een aan Heidegger ontleend begrip – de roep hiertoe zouden kunnen noemen. Die roep komt niet van buiten maar dringt door vanuit het eigen wezen, vanuit de grond zelf. Alleen de mens is, vanwege zijn intellectuele natuur, in staat aan deze roep gehoor te geven.

Wat kunnen we tot slot zeggen over het effect van de door vrijheid gevangen mens op zijn medemens? Hier is mijns inziens niets over te zeggen, immers, geven we hier invulling aan dan zijn we de vrijheid kwijt. Hoogstens kunnen we zeggen dat hij zijn medemens niet zal hinderen in het verwezenlijken van zíjn mogelijkheid tot vrijheid, en wellicht juist zó het verlangen naar vrijheid ook in hem wekt.

 


[1] Zie: Meister Eckhart, Over God wil ik Zwijgen, I De Traktaten, vertaald door C.O. Jellema, Historische uitgeverij Groningen, 2001, en Meister Eckhart – Werke II, hg. und komm. von N. Largier, Frankfurt Am Main, 1993

[2] Jellema, Pr. 34 [Pf. Pr. III], p. 296-297

[3] Idem: ‘Ach Eerwaarde, u hebt ons heel duidelijk gemaakt dat alle krachten moeten zwijgen, maar nu is er hier opeens sprake van een hunkering en een hevig verlangen in die stilte: […] dat verstoort toch die rust en die stilte[…]? Luiter, zo moeten jullie dat zien: als je je helemaal van jezelf en van alle dingen en alle eigenheden op alle manieren hebt bevrijd en je je aan God hebt opgedragen en je met God verenigd en je aan Hem overgelaten hebt met volkomen trouw en totale liefde, wat dan in je wordt geboren en waarvan je dan vervuld raakt, ok al is dat iets uiterlijks, lief of leed, zuur of zoet, het is allemaal niet het jowe, het is allemaal van jouw God aan wie je je hebt overgelaten.’

[4] J. Pr 34 [Pf. Pr. III], p. 289 : ‘De mens kan tot die geboorte niet komen, tenzij hij al zijn zinnen uit al alle dingen terugtrekt. En dat moet met grote macht gebeuren, zodat alle krachten worden teruggedreven en van hun werk aflaten.Dat alles moet met geweld gebeuren, anders gaat het niet.’

[5] Dat Eckhart God met vrijheid identificeert blijkt uit verschillende preken. Zie bijvoorbeeld Meister Eckhart, Predigten, Band 24, DW I , hrsg. N. Largier, der Bibliothek des  Mittelalters in vierundzwanzig Bänden, F. am M., 1993, p. 11:  ‘Stünde eine Seele – und zwar die <Seele> eines menschen, der noch in der Zeitlichkeit lebte – auf gleicher Höhe mit dem obersten Engel, so könnte dieser mensch immer noch in seinem freien Vermögen unermesslich höher über den Engel hinausgelangen in jedem Nun neu, zahllos, das heisst ohne Weise, und über die Weise der Engel und aller geschaffenen Vernunft hinaus. Gott allein ist frei und ungeschaffen, und daher ist er allein ihr gleich der Freiheit nach.’ (Vertaling: Frans Maas)

[6] Vgl. Pr. II [Pf. P. 13, 9-12] : Daz ende ist allewege daz ?rste in der meinunge und ist daz jungeste in dem werke. Also meinet got in allen sinen werke gar ein s?lig ende, daz ist: in sich selben.

[7] J. Pr. 7 [Pf. Pr. IV], p. 76

[8] J. pr. 7 [Pf. Pr. II], Pg. 80

[9] J. pr. 7 [Pf. pr. II], p. 40, Vgl. Meister Eckhart, Predigten,  (Intravit Jesus in templum) p. 11: ‘Wenn dieser Tempel [d.i. de grond van de ziel] so frei wird von allen Hindernissen, das heisst von Ich-Bindung und Unwissenheit, so glänzt er so schön und leuchtet so lauter und klar über alles <hinaus> und durch alles <hindurch>, das Gott geschaffen hat, dass niemand ihm mit gleichem Glanz zu begegnen vermag als einzig der ungeschaffene Gott.’

[10] Vgl. Meister Eckhart, Predigten,  (Intravit Jesus in templum) p. 11: ‘Wenn dieser Tempel [d.i. de grond van de ziel] so frei wird von allen Hindernissen, das heisst von Ich-Bindung und Unwissenheit, so glänzt er so schön und leuchtet so lauter und klar über alles <hinaus> und durch alles <hindurch>, das Gott geschaffen hat, dass niemand ihm mit gleichem Glanz zu begegnen vermag als einzig der ungeschaffene Gott.’

[11] Pr. 4, J., p. 77

[12] Vgl. het citaat in noot 97

[13] Eckharts ethiek is daarom ook geen ethiek van gedrag, maar van instelling; een instelling die het gevolg is van een verandering van de houding van eigenwilligheid naar een houding van ontvankelijkheid. ( zie ook: Meister Eckhart. Gotteserfahrung und Weg in die Welt. hg. und eingeleitet von Dietmar Mieth, Olten-Freiburg i. Br. 1979. Lizenzausgabe Zürich (Ex libris) 1983. Lizenzausgabe München (Piper), überarbeitet 1989. 3. Aufl. 1991) De maatstaf voor ethisch handelen is dus instelling en inzicht, niet een bepaald uiterlijk voorschrift of het inschatten van gevolgen, omdat de mens in God over zichzelf beschikt. Dit inzicht is specifiek toegesneden op iedere concrete situatie en derhalve niet in algemene regels te vangen.

2 thoughts on “Meister Eckhart – een Filosofie van Vrijheid

  • 14/01/2012 at 16:05
    Permalink

    Je filosofische benadering vind ik raak, het voelt als waar. Ik zie ook paralellen met de tekst over de Tempelreiniging in Johannes (NT). Hierover heeft Eckhart het ook in een van zijn preken.
    Ik ben maar een zoekende leek (of een hunkerende leek, om jouw woorden te gebruiken). Jouw benadering helpt me weer een stukje verder. Dank.

  • 05/10/2012 at 15:58
    Permalink

    De handel en wandel van Meister Eckhart is niet geweest als van een dief in de nacht. De Kerk voelde zich in haar macht bedreigd.

    Omdat ik een man van de praktijk ben realiseer ik mij terdege dat elk mens, waarin de grond van zijn ziel door en voor God wordt bewerkt, in zijn gerijpte zijn zowel liefde als haat oproept.

    Als we om ons heen kijken lijkt de hunkering naar vrijheid groot, maar de vrees er voor is in feite wezenlijk.

    Zou vandaag de dag Jezus zich niet als een dief in de nacht maar als een Goddelijke Genezer manifesteren dan zal de huidige zorgmarkt Hem net als Eckhart doen verdwijnen.

    Met hartegroet,
    Heremetijd/HermanvanNouhuys

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *