De plaats waar ik sta  – Buber, Kierkegaard en Hammarskjöld over mens zijn

 

‘Het enige wat mij te doen staat, is bij mijzelf te beginnen, en op dat ogenblik heb ik mij om niets ter wereld te bekommeren dan om dit begin.’[1]

Met deze enkele zin raken we meteen aan de kern van Bubers gedachtegoed en in het bijzonder van het boekje waar het citaat uit afkomstig is: De weg van de mens. Martin Buber (1878 – 1965) was filosoof, bijbelkenner en psycholoog en groot kenner van de joodse literatuur en traditie, met name de chassidische traditie van het Oost-europese jodendom. Hij wordt beschouwd als een bemiddelaar tussen de bedreigde traditionele joodse wereld in het Oosten en de westerse wetenschappelijke en rationalistische moderne tijd. Centraal in zijn denken staat de oprechte ontmoeting tussen mensen onderling, en tussen mens en God. Het hele leven en alle levensterreinen worden benaderd vanuit deze conditie. De essentie van het menselijke leven houdt voor hem in dat dit ten diepste dialogisch is, dat alle werkelijk leven ontmoeting is. Die levenshouding komt ook naar voren in zijn beroemde uitspraak: ‘Ik heb geen leer, ik voer een gesprek’.

Terug naar bovenstaand citaat. Op het eerste oog lijkt dit niet bepaald uitdrukking te geven aan de dynamiek van dialoog en ontmoeting en eerder nog aan te sluiten bij de huidige maatschappelijke trends van individualisering, ontaardend in maximale zelfontplooiing en ego-cultuur. Wie Buber een beetje kent zal echter een andere betekenis achter de woorden vermoeden. Hoe kunnen we de diepzinnige maar ook wat abstract aandoende uitspraak concreet verstaan? En hoe verhoudt deze zich tot wat Buber de dialogische kern van het menselijke leven noemt? Wat kan de mens van nu, in tijden die nog veel individualistischer zijn dan die van Buber, leren van zijn gedachtegoed?

Aan de hand van enkele citaten uit het boekje De weg van de mens leg ik een brug naar twee andere ‘levenskunstenaars’ die zich – ieder op een eigen wijze – met dezelfde thematiek hebben beziggehouden: Sören Kierkegaard en Dag Hammarskjöld.  We zullen zien dat beide denkers een uniek en verhelderend licht werpen op het appél dat van Bubers boodschap uitgaat om bij jezelf te beginnen en ook op de persoonlijke en maatschappelijke implicaties hiervan. Bovendien hoop ik – via deze dwarsverbindingen tussen Buber en genoemde denkers – recht te doen aan zijn opvatting dat alle werkelijk leven dialoog en ontmoeting is, ook als die ontmoeting niet fysiek maar in de taal plaatsvindt. De dingen zijn er immers pas doordat wij erover spreken en op de manier waarop wij erover spreken.

 

Zelfbezinning  

‘Al heeft een mens nog zoveel succes, al smaakt hij nog zoveel genot, al verwerft hij een nog zo grote macht en brengt hij nog zoveel geweldigs tot stand: zijn leven blijft zonder weg zolang hij zijn houding tegenover de roepstem niet bepaalt. […] De beslissende inkeer tot zichzelf is het begin van de weg in het leven van de mens, steeds weer is dit het begin van de menselijke weg.’

Centraal in deze tekst staat de houding van de mens tegenover de ‘roepstem’ die van de kant van de mens om een beslissende inkeer vraagt. Het bepalen van onze houding tegenover deze stem, stelt Buber, is het begin van de menselijke weg. Maar wat wordt bedoeld met deze roepstem, het appél dat eruit opklinkt? Ik denk dat we dit ruim mogen interpreteren: we kunnen het in elk geval verstaan als iets dat groter is dan we zelf zijn, of we dit ‘iets’ nu het geweten of God of onze diepste intuïtie of grond noemen. Het stijgt uit boven de beperkte werkelijkheid van het ‘ik’ en is tegelijkertijd zo ontzaglijk dichtbij dat we het vrijwel niet opmerken. De roepstem is die ‘van een voorbijzwevend zwijgen’ en wordt daarom ook gemakkelijk overstemd, aldus Buber. Om die stem te kunnen horen komt het erop aan in te keren in zichzelf, tot zelfbezinning te komen. Moet je daarvoor mediteren of je terug trekken uit de wereld? Dat lijkt mij niet. Het cruciale punt – en hier wordt maar al te gemakkelijk aan voorbij gegaan – is dat het hier niet gaat om ‘wat’ ik doe maar om ‘hoe’ ik het doe. Zelfbezinning kan overal en altijd plaatsvinden omdat het een houding, een innerlijke gerichtheid, een ontvankelijkheid is. Ik kom hier nog op terug.

De vraag is nu: hoe bepaal je je houding tegenover deze innerlijke stem? Buber haalt in deze context de Bijbelpassage aan waarin God aan Adam vraagt: ‘Waar ben je?’ God vraagt dit niet omdat hij Adam niet kan vinden en nu toch wel graag eens zou willen weten waar hij eigenlijk uithangt. God, de alwetende, vraagt dit niet vanuit onwetendheid maar omdat Hij iets in deze mens teweeg wil brengen wat juist door deze vraag tevoorschijn wordt geroepen, vooropgesteld dat die mens er in zijn hart door wordt geraakt. Adam, die zich blijkbaar aangesproken voelt, antwoordt: ‘ik heb mij verborgen’. Met dit antwoord bepaalt hij zijn houding tegenover de roepstem van God en hier begint zijn menselijke weg. Waarom? Omdat hij de roepstem, die van een ‘voorbijzwevend zwijgen is’ niet uit de weg gaat of overstemt met zijn eigen gedachten en voorstellingen maar deze opmerkt en beantwoordt. Er vindt een dialoog, een ontmoeting plaats. ‘Ik heb mij verborgen’ zegt Adam. Maar op het moment dat hij deze woorden uitspreekt is ook de verborgenheid opgeheven en treedt hij in een relatie met hetgeen hem roept.

 

Hammarskjöld – dienstbaarheid en moreel leiderschap

Iemand die deze dialoog, deze ontmoeting met dat wat groter is dan hij zelf is, zijn gehele leven centraal stelde is de Zweedse diplomaat Dag Hammarskjöld (1905 – 1961). In zijn dagboek, dat later de titel Merkstenen kreeg, schreef hij het volgende:

‘Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja, tegen iemand of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid, dat het leven zinvol is en dat mijn leven in onderwerping een doel heeft. Vanaf dat moment heb ik geweten wat het wil zeggen ‘niet om te zien’, of ‘zich niet te bekommeren om de dag van morgen’. Vanaf dat moment had het woord moed voor mij zijn zin verloren, omdat niets me meer ontnomen kon worden’.

Hammarskjöld zocht steeds de werkelijke zuiverheid in zijn leven. Want in die zuiverheid is God voor hem aanwezig. Het is een leven op het scherp van de snede, een voortdurende opgave en een worsteling met zichzelf. Zo schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Een gevoel van schaamte voor de dag van gisteren….voor de grote vergissing, de vervalsing van datgene in mij dat meer is dan ik – in dociele aanpassing aan de eisen van buitenaf’. Niet de dwingende eis van de buitenwereld maar het appél dat van binnenuit opklinkt is hier de werkelijke maatstaf en grond. Hammarskjöld hechtte bovendien groot belang aan nederigheid en geestelijke rijpheid want alleen dat kan de basis zijn van dienstbaarheid en moreel leiderschap. De successen die hem tijdens zijn politieke loopbaan te beurt vielen beschouwde hij dan ook niet als zijn eigen verdienste maar als de verdienste van God: ‘Niet ik, maar God in mij.’

Hammarskjöld leerde inzien, dat het bij zijn verhouding tot God uiteindelijk niet om leerstellingen en morele regels op zich gaat, maar om wat hij later noemt ‘een toestand van de ziel’, een innerlijke houding. Zuiverheid van leven staat hierbij steeds centraal: ‘Wat je moet durven – jezelf te zijn. Wat je zou kunnen verwerven – dat de grootheid van het leven zich in je zou weerspiegelen naar de maat van je zuiverheid’. Dit is niets minder dan een waagstuk. Het waagstuk om uit de schuilplaats van je geconditioneerde en beperkte denkbeelden te treden en je te ontdoen van de beklemmende druk om je het ‘men’ aan te passen. Het waagstuk om eenvoudigweg jezelf te zijn. ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’

Dag Hammarskjöld had, net als Buber, een hoge morele opvatting over zijn taken in het leven. Hoe klein of groot je rol in het maatschappelijk leven ook is: het is alleen geloofwaardig door zuiverheid en dienstbaarheid. Hoe belangrijk die nederige houding ten aanzien van dat wat je in het leven te doen hebt voor Hammarskjöld was spreekt ook uit het volgende citaat:

‘Nederigheid is in even sterke mate de tegenhanger van zelfvernedering als van zelfverheffing. Nederigheid wil zeggen: zichzelf niet vergelijken. Rustend in zijn eigen werkelijkheid, is het ik niet beter en niet slechter, niet groter en niet kleiner – dan iets of iemand anders. […] In die zin betekent nederigheid: totale wegcijfering van jezelf. In deze ootmoedige wegcijfering niets zijn en toch uit de kracht van de opdracht geheel de zwaarte en autoriteit van de opdracht belichamen – dat is de levenshouding van de geroepene.’

Totale wegcijfering van het zelf, is dat niet wat al te radicaal gesteld? Het kwam er toch op aan het zelf als beginpunt te nemen? Ja, maar niet voor niets spreekt Buber hier van het ‘begin van de menselijke weg’. Dit begin bestaat erin zich als enkeling aangesproken te weten. Dit ‘verstaan’ houdt tegelijkertijd in dat je opstaat uit de verborgenheid van de massa of het ‘men’ en zelf wil handelen. Wát hier echter opstaat is niet het vanzelfsprekende ‘ik’ van het egocentrische individu maar het diepe ‘zelf’ van de aan de samenleving deelhebbende mens. Ik kom hier zo dadelijk op terug. Laten we eerst eens wat nauwkeuriger nagaan wat het eigenlijk wil zeggen om enkeling te zijn. 

 

Kierkegaard  en de zelfverhouding

‘Met iedere mens is er iets nieuws ter wereld gebracht dat er nog niet was, een eerste en enig iets. […] Iedere enkeling is een nieuwe verschijning op aarde en zijn taak is het, zijn aanleg te vervolmaken in deze wereld. […] Wat echter datgene is dat juist deze mens, en geen ander, doen kan en doen moet, kan hem alleen uit hemzelf duidelijk worden. Het kan slechts op een dwaalspoor voeren indien iemand ernaar kijkt hoever een ander het heeft gebracht en hij tracht hem dit na te doen; want daardoor ontgaat hem juist datgene waartoe hij en uitsluitend hij geroepen is.’

Iedere enkeling is een nieuwe verschijning op aarde en zijn taak is het, zijn aanleg te vervolmaken in deze wereld, stelt Buber. De Deense denker Sören Kierkegaard (1813 – 1855) schreef in zijn dagboek eens de volgende woorden: ‘Het komt aan op deze ene categorie van ‘de enkeling’, die zo met mijn naam verbonden is, dat ik zou willen dat mijn grafschrift wordt: ‘Deze Enkeling’.

De enkeling is het hoofdthema van Kierkegaards leven en werken. Alles wat hij schreef, schreef hij met het oog op de enkeling, die hij zijn lezer noemt. Kierkegaard ziet de enkeling niet als iets dat ondeelbaar en gesloten is, niet als een statisch samenraapsel van eigenschappen maar als een synthese, een ontmoetingsplaats tussen zijn en worden. Het gaat er dan niet zozeer om iets nieuws te worden maar te worden wat in oorsprong al in ons aanwezig is. Of zoals Buber zegt: de taak van de mens als enkeling is om zijn aanleg te vervolmaken in de wereld. Wat die aanleg is of waartoe een mens geroepen is kan alleen uit de mens zelf duidelijk worden en kan ook alleen door hemzelf tot realisatie worden gebracht. 

De verwerkelijking van wie je in aanleg bent gaat niet vanzelf maar is iets dat elk ogenblik – op het scherp van de snede dus – voltrokken moet worden. Deze sprong in het onbekende, die een totale openheid inhoudt voor wat zich voordoet in het ogenblik, is volgens Kierkegaard pas mogelijk als de mens zich ‘klaar en duidelijk grondt in God’.  Het gaat hier om de enkeling als religieuze categorie – de mens die zich bevindt tussen de tijd en de eeuwigheid. Dit houdt in dat deze mens zichzelf niet langer meer kan zien als een onderdeel of representant van de groep, maar als een sterveling tegenover God. Juist dit doet de mens op eigen benen staan. Het begrip enkeling drukt dat uit waar het in Kierkegaards denken steeds weer om gaat: de menselijke existentie, of specifieker nog: mijn concrete existentie. Het op zich nemen hiervan is geen kwestie van maximale zelfontplooiing in die zin dat je maar zoveel mogelijk kennis of ervaringen opdoet. Ook betekent het niet dat je je afzondert en ‘buiten het geheel’ plaatst om aan jezelf toe te kunnen komen. Integendeel:

‘In het algemeen wordt er veel over gesproken, dat iedere mens een egoïst is, zijn Ik wil doen gelden enzovoorts. Dat is inderdaad waar, namelijk met betrekking tot alles, wat er onder hem staat, waarover hij meent te kunnen heersen. Maar naar boven is het niet zo, daar wil niemand Ik zijn. Tegenover een macht trekt het Ik zijn voelhorens in en wordt tot derde persoon. Tegenover een tijdvak wil niemand Ik zijn, men trekt de voelhorens in en wordt ‘derde persoon’, ‘publiek’, ‘men’. En dan Ik willen zijn tegenover de hele bestaande ordening zelf en heel haar druk op zich nemen, nee merci, dat wil niemand. Toch is het onmogelijk om met God te doen te hebben, zonder onder het gewicht van die druk het uit te houden om Ik te zijn.

De mens die zich als enkeling naar buiten waagt neemt daarmee tevens een grote verantwoordelijkheid op zich – niet alleen ten aanzien van zijn eigen existentie maar ten aanzien van de gemeenschap als geheel. Een verantwoordelijkheid die, aldus Kierkegaard, ‘uitgehouden’ moet worden en niet zonder risico’s is. Ook hier kan men zich afvragen of dat niet wat al te zwaar is aangezet. Wordt de mens die het waagt enkeling te zijn hier met andere woorden niet te hard aangegrepen? Vanuit het standpunt bezien dat het individu zich gelukkig moet prijzen als zijn leven plezierig en zonder al te ingewikkelde of moeizame wederwaardigheden verloopt, is dit wellicht zo. De mens die niet meer op de oude, vertrouwde wijze verder kan, die de roepstem niet meer kan negeren, zal dit echter anders ervaren. Die roepstem, existentieel verstaan, drukt een mededeling uit. Het wezenlijke van dit soort van existentiële mededeling is niet die van een weten, maar die van een kúnnen, stelt Kierkegaard. Maar wat houdt dit kunnen in?

 

Gelijktijdigheid

Werkelijk aanwezig zijn voor jezelf, dat is waar het bij Kierkegaard op aan komt.  Het gaat dan niet om een egocentrische zelfgerichtheid maar om een existentiële houding of zijnswijze die juist gekenmerkt wordt door een diepgaande betrokkenheid in en bij het bestaan. Kierkegaard spreekt in dit verband ook van een ‘gelijktijdig met zichzelf durven leven’ hetgeen pas mogelijk is als je je houding bepaalt ten aanzien van dat wat aan jouw existentie ten grondslag ligt:

‘Iedereen droomt ervan met grote mensen en belangrijke gebeurtenissen gelijktijdig te zijn geweest of nog te worden. Maar God weet hoe weinigen er eigenlijk gelijktijdig met zichzelf durven te leven. Eerst dat schenkt ware doorzichtigheid en rust; zulks kan alleen door een godsverhouding, ja, het is de godsverhouding.’

Kierkegaard neemt, net als Buber, zijn vertrekpunt niet in de gemeenschap, maar in het individu. Dit individu is echter geen afgesloten en abstract individu, maar een individu dat zijn ethisch-religieuze positie vindt en daardoor de garant is voor een wezenlijke gemeenschap. Door bij mijzelf te beginnen kan ik er pas werkelijk voor de ander, voor de samenleving zijn. Door  bij mijzelf te beginnen kan ik mezelf vergeten en, zoals we bij Hammarskjöld zagen, nederig en dienstbaar zijn. Want niet in mijzelf maar in de wereld om mij heen, in de grote en kleine dingen die alle dagen mijn aandacht opeisen, in de situatie die mij door het lot gegeven is, ligt mijn werkelijke taak en de vervulling van mijn bestaan. Hier, op de plaats waar ik sta. En precies dit vormt ook voor Buber het uitgangspunt van de mens en zijn weg:

‘Waarom moet ik mij op mijzelf bezinnen, waarom mijn wezen tot eenheid te brengen? Het antwoord luidt: Niet ter wille van mijzelf. Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen: van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toe streven: zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn.

 

Besluit

Buber had naar eigen zeggen geen leer maar voerde een gesprek. Hij had geen behoefte aan een vastomlijnd denksysteem of metafysisch bouwwerk maar geloofde in de kracht van de ontmoeting. De basis van het gesprek dat hij voortdurend voerde wordt voor het overgrote gedeelte gevormd door de oude verhalen uit de Joodse literatuur. En wel omdat juist die oude verhalen iets wezenlijks kunnen raken in de mens – als enkeling. Een goed verhaal kan ons verbinden met onze diepste intuïties en ervaringen, met authentieke en niet-gemanipuleerde inzichten en emoties, met een plek diep in onszelf waar een onwrikbare waarheid heerst.

De onbevattelijke waarde die literatuur kan hebben voor een mens, en voor de wereld als geheel, werd mij nog weer eens op indringende wijze duidelijk toen ik onlangs in de Vlaamse krant De Standaard een stuk las van de Israëlische schrijver David Grossman. Het betrof een ingekorte versie van een lezing die hij uitsprak op de Münchener Veiligheids-conferentie op 16 februari jl. Ik sluit dit essay af met een gedeelte uit deze tekst:

 Stalin heeft eens met de hem zo kenmerkende tact en fijnzinnigheid gezegd: ‘Eén dood is een tragedie, een miljoen doden is statistiek.’ Ook al is het een buitengewoon weerzinwekkende uitspraak, we kunnen moeilijk zeggen dat hij volledig uit de lucht is gegrepen in onze wereld. Hoe verandert een tragedie voor ons in statistiek?

Denk aan de reactie van vele Europese landen op de toestroom van vluchtelingen. Bedenk hoe snel een tragedie veranderde in statistiek […] De literatuur is een van de meest betekenisvolle manieren waarop we ertoe gebracht kunnen worden de tragiek van het bestaan van het individu uit de afschuwelijke statistiek van Stalin te halen. Literatuur zet de lezer ertoe aan de individuele mens te bekijken, te proberen hem van binnen uit te begrijpen, zijn innerlijke lexicon, zijn waarden, zijn fouten, zijn angsten, zijn momenten van grootsheid te leren kennen. Deze drang is het begin van een politiek bewustzijn, en zonder die drang is elke verandering ten goede onmogelijk.

Een tragedie die in statistiek verandert en ‘massale dood’ kunnen alleen plaatsvinden in een wereld waarin het leven van het individu grotendeels ondergeschikt is gemaakt aan de dimensie van de ‘massa’. Alleen een werkelijkheid van ‘massaal leven’ stelt ons in staat tot zo’n onverschilligheid tegenover ‘massale dood’. Misschien is dit de grote vraag die iedere moderne mens zich moet stellen: in welke situatie, op welk moment, word ik onderdeel van ‘de massa’?

Eén mogelijk antwoord op deze vraag is: ik word onderdeel van ‘de massa’ als ik ophoud mezelf en mijn keuzes voor mezelf te formuleren in mijn eigen woorden. In nieuwe, frisse woorden, die nog niet in mij zijn afgesleten. Woorden waartegen ik me niet kan beschermen, die ik niet kan negeren. Woorden die zijn als een vonnis dat ik over mezelf vel. Is dat niet een lang-niet-slechte definitie van wat goede literatuur in ons kan opwekken?

Want zelfs als tienduizend mensen tegelijkertijd één en hetzelfde boek lezen, leest dat boek ieder van hen op een andere manier. Dat boek helpt hen zichzelf op een specifieke manier te formuleren voor zichzelf. Verschillende deeltjes van ons uiterlijke en innerlijke leven, onze herinneringen en onze identiteit ‘vliegen’ dan naar de sterke magneet van het boek. Op die momenten voelt ieder van ons zijn eigenheid, zijn individualiteit. Op die momenten kan ieder van ons zich een deeltje van de hele mensheid voelen, maar een onderdeel van de massa is hij absoluut niet.

 

[1] Buber, M. De weg van de mens, uitgeverij Juwelenschip, Cothen, 2016

 

* Interesse in een lezing over dit thema? Neem dan contact met mij op: welmoed@vlieger.nl

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *