De bomen van Jacob Böhme vergeleken

images (10)Deze paper valt uiteen in twee delen. In het eerste deel gaat het om de bestudering en verheldering van wat Böhme schrijft over de bomen in twee gedeeltes van zijn werk, te weten: de inleiding van Morgen-Röte im Aufgang (Aurora) en hst. 17 van het Mysterium Magnum. In het tweede deel wordt de relatie onderzocht tussen de bomen in deze twee teksten.

De eerste tekst vangt aan met het volgende citaat:

‘Günstiger Leser / Jch vergleiche die gantze Philosophiam, Astrologiam und Theologiam sampt jhrer Mutter einem köstlicher Baum der in einem schöner Lustgarten wechst.’ (Böhme, Aurora, pag. 22, al. 1)

Het hele verdere verloop van de inleiding kan beschouwd worden als een uitwerking en verduidelijking van bovengenoemde citaat en kan grofweg opgedeeld worden in drie onderdelen. Het eerste gedeelte vormt een uiteenzetting en verduidelijking van de boom en zijn symbolische betekenis. In het tweede gedeelte geeft Böhme in de vorm van een allegorie een soort historisch overzicht van de boom der kennis van goed en kwaad en de boom des levens, en maakt op deze wijze aanschouwelijk hoe de beide bomen in een heftige strijd van goed en kwaad verwikkeld zijn. Ten slotte worden in het derde gedeelte de termen, filosofie, astrologie en theologie verduidelijkt, en maakt Böhme met zoveel woorden kenbaar dat de kennis die in het boek schuilt niet voor iedereen toegankelijk is, maar slechts geopenbaard kan worden aan degenen die het boek ‘in eenvoud des harten lezen’.

In het kader van mijn werkstuk wil ik mij met name richten op het eerste gedeelte van de inleiding, waarin de boom zowel in zijn concrete ontwikkeling als in zijn symbolische hoedanigheid uiteengezet wordt, tot aan het moment dat Böhme kort verwijst naar Adam en Eva en de boom der kennis van goed en kwaad (Böhme, Aurora, pag. 24, al. 6). Dit vormt mijns inziens een geschikt punt om de brug te slaan naar de tweede tekst, hst. 17 van het Mysterium Magnum, waarin Böhme op complexe wijze de val van Adam en Eva, en de rol en betekenis hierin van de Levensboom en de boom van goed en kwaad, tracht inzichtelijk te maken binnen de context van zijn denksysteem.

1. Aurora

In het eerste gedeelte van de inleiding geeft Böhme een korte uiteenzetting van de natuurlijke ontwikkeling van de  boom die tot wasdom komt, vrucht draagt, en weer sterft. Zoals de boom is, zo zullen ook zijn vruchten zijn, zo stelt Böhme. Op een gegeven moment legt Böhme uit waar de verschillende aspecten van deze boom (en zijn omgeving) precies voor staan:

‘Der garten dieses Baumes bedeut die Welt / der acker die Natur / der Stam des Baumes die sternen / die äste die Elementa, die Früchte / so auff diesem baume wacksen / bedeüten die Menschen / der Safft in dem Baume / bedeut die klare Gotteit..’ (Böhme, Aurora, pag. 23, al. 3)

Hoewel ik niet meteen begreep hoe in Böhme’s visie de natuur (de akker) zich tot de wereld (de tuin) verhoud, aangezien de natuur ook heel gemakkelijk begrepen kan worden als het zichtbare universum waarvan de wereld slechts een klein onderdeeltje vormt, ben ik op basis van het feit dat Böhme in zijn verklaring van ‘buiten’ (de tuin) naar ‘binnen’ (het sap van de boom) toewerkt, voorlopig van de volgende schematische weergave van de vergelijking uitgegaan:

 

tree-of-good-and-evil3
 Afbeelding 1 De betekenissen van de boom

Böhme kent de natuur twee hoedanigheden of eigenschappen toe: een goede (liefelijke, hemelse, heilige) en een kwade (grimmige, helse en versmachtende). De goede eigenschap wordt beheerst door de Heilige Geest, de slechte eigenschap door de Duivel. De eigenschappen worden doorgegeven aan de boom die ze op zijn beurt  weer doorgeeft aan zijn vruchten. Het ligt voor de hand: de goede eigenschap brengt goede vruchten voort, en de kwade eigenschap brengt boze/slechte vruchten voort. Vervolgens komen we op het punt dat  Böhme de mens in zijn verhaal betrekt:

’Nun dieses beides ist in dem Baum der Natur / und die Menschen seind aus dem Baum gemacht / und leben in dieser welt in diesem garten zwisschen beiden in großer gefahr / und fellet auff sie bald Sonnen-schein / bald Regen / Wind und Shnee.’ (Böhme, Aurora, pag. 23/24)

We zien hier een nogal plotselinge en curieuze stap plaatsvinden, waarbij de vrucht van de boom, als symbool voor de mens, en de werkelijke mens blijkbaar tegelijkertijd en naast elkaar bestaan. Je kan je afvragen wat nu eigenlijk symbool staat voor wat. Wij zijn als lezer al snel geneigd om tussen twee verschillende niveaus of dimensies – die van de boom en die van de menselijke realiteit –  heen en weer te ‘switchen’, waarbij we ons dus steeds van het ene naar het andere vergelijkingspunt bewegen. Hiermee introduceren we een ruimte die voor Böhme helemaal niet zo vanzelfsprekend lijkt te zijn. Böhme immers, vergelijkt hier in feite niet meer, maar laat de beide werkelijkheden vloeiend in elkaar overgaan door ze a.h.w. op hetzelfde ‘niveau’ te plaatsen (de mens is uit de boom gemaakt). Deze ‘beweging’ illustreert een denkwijze die we bij Böhme steeds opnieuw, en in steeds complexere nuances, terug zien komen, maar die met het logisch verstand alleen, maar moeilijk te vatten zijn. M.b.t de boom zal echter blijken hoe belangrijk dit ineenvloeien van verschillende verbeeldingsniveaus is.  Ik kom hier aan het einde van mijn werkstuk op terug.

Zoals in de natuur het goede en kwade ontstaat en heerst, zo is het ook met de mens gesteld. De mens echter, zo merkt Böhme op, ‘ist Gottes kindt / den Er aus dem besten kern der Natur gemacht hat / zu herrschen in dem guten / und überwinden das böse’ (Böhme, Aurora, pag. 24, al. 4). Wil de mens echter het goede doen, dan dient hij niet passief af te wachten maar zal hij zelf een beslissende stap moeten zetten, want God maakt weliswaar de mens uit het beste van de natuur, echter ook de mens zelf is natuur, ook híj draagt de twee hoedanigheden in zich en zal moeten kiezen op welke eigenschap hij zich richt. De mens dient daarom, teneinde het goede te doen, zijn ziel op te heffen naar God die tot dat doel zijn Heilige Geest heeft gegeven. Door zijn ziel op te heffen naar God maakt de mens zich a.h.w. ontvankelijk voor de Heilige Geest (de goede eigenschap) die dan in hem ontspringt – en déze helpt hem zegevieren. Laat hij echter, ‘in zijn lust tot het boze’ zijn geest ondergaan in de wereld (de tuin/de lusthof), dan ontspringt en heerst in hem de duivel:

‘Gleich wie der Apffell auff dem Baum madig und wurmstichicht wird / wan frost / hitze und mullthau auff jhn fallet / und leicht abfellet und verdirbet: also auch der Mensch / wan Er lesset den Teuffel mit seiner gifft in jhm herrschen.’ (Böhme, Aurora, pag. 24, al. 3)

Maar hoe is dat nu toch mogelijk, dat de mens zich openstelt voor de destructieve invloed van de duivel, voor de aardse verlokkingen, als hij ook kan verkiezen om het goede te doen en ‘een licht voor de wereld zijn’? Böhme introduceert nu een nieuw – wat ik zou willen noemen – verbeeldingsniveau, namelijk het verhaal van Adam en Eva, dat niet meer het niveau van de concrete mens betreft maar ook niet meer dat van de boom en zijn vruchten.

Hoe ziet dat verbeeldingsniveau eruit? Het is door de val van Adam en Eva, dat de mens zichzelf in de zonde heeft gebracht (Böhme, Aurora, pag. 24, al. 6), en het goede en het kwade (het hemelse en het duivelse) in de natuur van het begin af aan met elkaar strijden. Was dit niet gebeurd, dan zou alleen het goede in de mens heersen en alleen dat zou zijn doel en streven zijn. Door echter te eten van de boom van goed en kwaad, heeft de mens kennis van deze eigenschappen gekregen en wordt hij door beiden beheerst. Het gevolg is dat hij God zijn Schepper, evenals de natuur en zijn werking tot op de dag van vandaag niet meer wil erkennen. Om deze reden heeft God zijn Heilige Geest gegeven, opdat deze in de mens, die zijn ziel opheft naar God, kan ontspringen waardoor de mens opnieuw tot inzicht en erkenning kan komen.

2. Mysterium Magnum

In het 17e hoofdstuk met de titel “Von dem Paradeis” van het Mysterium Magnum lezen we Böhme’s uitleg van de val van Adam en Eva, en de gevolgen die dit voor de mensheid heeft. Zijn doel is te beschrijven wat het paradijs is, een werkelijkheid die voor de gevallen mens verborgen is, ‘Den der Mensch der Eitelheit ist das nicht werth, daß er wisse was das Paradeis seij […]’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 107, al. 2). De gehele tekst, bestaande uit 43 alinea’s, vormt een soort puzzel, die met elke volgende alinea complexer en verfijnder lijkt te worden.

In mijn poging om Böhme’s uitleg van de boom van goed en kwaad en de boom des levens helder uiteen te zetten en in verband te brengen met de boom/bomen die hij beschrijft in de inleiding van de Aurora, zal ik het betreffende hoofdstuk uit het Mysterium Magnum stap voor stap doorlopen.

In het begin van zijn uiteenzetting geeft Böhme een min of meer poëtische beschrijving van de hof van Eden waarin de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad in het midden zijn geplant.  Böhme gaat deze passage vervolgens nader verklaren. Hij introduceert het ‘inwendige’ en ‘uitwendige’ en illustreert de werking hiervan aan de hand van de ‘mens’ en de ‘vrucht’, die in één adem worden genoemd. Misschien niet toevallig omdat uit Aurora is duidelijk geworden dat voor Böhme de vrucht, de mens symboliseert. Het inwendige van zowel de mens als de vrucht is het hemelse (de goede eigenschap/ hoedanigheid) en het uitwendige het aardse (de kwade eigenschap/hoedanigheid).  Böhme doet nu een belangrijke uitspraak betreffende het paradijs. ‘Der Garten Eden war auf Erden eine Stätte, da der Mensch versuchet ward; und das Paradeis war im Himmel, und war aber im Garten Eden.’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 107, al. 3).

Het paradijs bestaat dus zowel in de hemel als op aarde. Böhme gaat echter nog een stapje verder in zijn beschrijving van hoe we het paradijs moeten begrijpen: ‘Aber im Paradeis durchdrang der Göttlichen Welt Wesen der Zeit Wesen, als gleichwie der Sonnen Kraft eine Frucht auf dem Baume durchdringet […].  (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 108, al. 5)

Maar wat betekent dit nu? Is het paradijs dan op twee plaatsen tegelijk? In alinea 3 krijgen we een nieuwe aanwijzing in de vorm van een metafoor: ‘[…] als ein Feuer ein Eisen durchglüet […]’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 108, al. 3). Blijkbaar doordringt het inwendige het uitwendige en vormt daarmee een eenheid.

Als het inwendige in staat is het uitwendige te doordringen, zonder daarbij enige hinder te ondervinden, dán spreekt Böhme van het paradijs. Anders gezegd: Het paradijs is dus niet zoiets als een plaats, maar veeleer een principe. Je zou kunnen zeggen dat dit principe door Böhme ‘verbeeld’ wordt als het paradijs. Daarom noem ik dit het ‘Paradijselijk Principe’. Dit alles zou als volgt schematisch kunnen worden weergegeven:

 

magnum-opus-schema3
 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 2 Het Paradijselijk Principe

We hebben dus opnieuw te maken met een verbeeldingsniveau, echter nu één dat op alle andere verbeeldingsniveaus werkzaam is. Het paradijselijk verbeeldingsniveau lijkt echter abstracter, in de zin van moeilijker visueel te verbeelden, dan de andere niveaus. Terwijl Böhme over het algemeen heel concreet en beeldend is in zijn taal, krijg je als lezer geen helder beeld van het paradijs.

Hoe komt het dat wij niet altijd het paradijs ervaren? Dat komt door Lucifer. ‘Die ganße Welt ware ein lauter Paradeis gewesen, so es Lucifer nicht hätte verderbet […]’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 108, al. 7). Als het principe niet werkt, is er dus ook geen sprake van een paradijs. Lucifers macht is dus hierin gelegen, dat hij in staat is het principe te dwarsbomen. Het eerste paradijs, van vóór de val van Adam, is door lucifer vergiftigd. Pas in Christus zal God het paradijs opnieuw ‘baren’. Door Christus zal de mens opnieuw toegang krijgen tot het paradijs.

Böhme gaat vervolgens in op het onderscheid tussen de boom des levens en de boom van goed en kwaad, die, zoals we kunnen lezen in de bijbel, beiden in het midden van de hof van Eden staan. Juist het feit dat deze twee bomen in de bijbel ná elkaar genoemd worden en aldus onderscheiden worden van elkaar, is van grote betekenis voor Böhme. Hierna volgt allereerst de betreffende bijbelpassage, gevolgd door een beschouwing van Böhme.

‘God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling, Genesis 1 : 8)

‘Das edle Perlein lieget in diesem Unterscheid der zweijen Bäume, und da es doch nur Einer ist, aber in zweij Reichen offenbar.’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 109, al. 11)

De boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad moeten dus beschouwd worden als één boom die in twee rijken, de hemelse en de aardse, openbaar is. Wat is dan die edele parel? Volgens mij is dat niet zozeer het inzicht dat beide bomen in werkelijkheid één boom zijn, maar dat je ze juist moet onderscheiden om te begrijpen hoe het paradijselijk principe werkt en dus het paradijs verwezenlijkt kan worden. Voor een paradijselijk principe zijn immers twee rijken nodig, in afbeelding 2 het hemelse (inwendige) en aardse (uitwendige) genoemd.

In hst. XXIV van de Aurora weet Böhme dit paradijselijk principe heel mooi aanschouwelijk te maken:
‘Siehe an einem Baum / der hat von außwendig eine harte / grobe schale / die ist todt und estarret / doch ist sie nicht gantz im tode / sondern in der ohnmacht / und ist ein unterscheidt zwischen ihr unddem leibe / so unter der schalen wächset. Der leib aber hat seine lebendige kraft / und bricht durch die verdorrete schalen auß / und gebähret ihm viel schöner junger leiber / welche doch alle in dem alten leibe stehen. […] Der leib aber dieses grossen hauses / welcher unter der schalen der finsternus verborgen lieget / der finsternus unbegreifflich / der ist das hauß des lebens / darinnen liebe und zorn miteinander ringen. Nun bricht die liebe immer durch das haub des todes / und gebähret Heilige / Himmlische zweige in dem grossen Baume / welche im liechte stehen. Dan sie grünen durch die schale der finsternus / gleich wie der zweig durch die schale des Baumes / und seind ein leben mit Gott.’ (Böhme, Aurora, pag. 440/441)

In de inleiding van de Aurora zagen we hoe het sap van de boom de zuivere goddelijkheid symboliseerde, die de gehele boom beheerst en doordringt. In het bovenstaande citaat noemt Böhme het inwendige van de boom de liefde en het huis des levens, het levende lichaam dat door de dode schors heen breekt. Steeds opnieuw zien we in verschillende woorden en beelden hetzelfde principe optreden, waarbij het inwendige (het hemelse of goddelijke) het uitwendige (het aardse of dode) doordringt.
Keren we nu terug naar de Levensboom en de boom van goed en kwaad die tezamen één boom vormen, maar in twee rijken openbaar, dan is het misschien interessant om het schema dat ik van het paradijselijk principe heb gemaakt, heel letterlijk als de dwarsdoorsnede van deze ene boom te zien:

 

boom-van-goed-en-kwaad
 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 3 De boom van kennis van goed en kwaad

Beschouwen we nu de binnenste cirkel als de Levensboom, en de buitenste cirkel -inclusief de binnenste cirkel!- als de boom van kennis van goed en kwaad, dan zien we inderdaad twee bomen die samen één boom vormen die in twee rijken, het aardse en het hemelse, openbaar is: de boom des kwaads is in het aardse rijk openbaar, de levensboom in het Hemelse en – omdat de levensboom onderdeel is van de boom van kennis van goed en kwaad – is ook de boom van kennis van goed en kwaad, in het hemelse openbaar.

Het hemelse (inwendige) rijk doordringt het aardse (uitwendige) rijk en vormt tegelijk de kern hiervan. Wordt nu het paradijselijk principe, d.i. de inwerking van het hemelse op het aardse, gehinderd, dan kan daarom de buitenste cirkel de boom des kwaads genoemd worden, omdat  deze niet in verbinding staat met het inwendige hemelse of goede. ‘So war nun der Baum der Erkentniß des Bösen, die finstere Welt […].’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 109, al. 13), in die zin waarschijnlijk dat zij geen licht van het hemelse ontvangt of hiermee verbroken is. We kunnen ook zeggen dat de boom des kwaads het resultaat is van een niet-functionerend paradijselijk principe: de uitwendige wereld, d.w.z. de wereld die door Böhme ook beschreven wordt als die van ná de val van Adam.

Böhme gaat vervolgens nader in op de eigenschappen van de boom der kennis van goed en kwaad:

‘Aber im Baume der Erkentni? Gutes und Böses waren die Eigenschaften als Gottes Liebe und Zorn, sowel auch die Irdigkeit, wie es im Fluche ist, ein iede in sich selber offenbar und ausdringende, das ist, sie waren aus der Gleichniß, aus der gleichen Concordance ausgegangen, und waren alle 3 Principia in diesem Baum ein insonderheit offenbar; und darum nennet ihn Moses: den Baum der Erkentniß Gutes und Böses.’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 110, al. 15)

Hoewel het lijkt alsof we met drie eigenschappen te maken hebben, weten we uit Aurora dat het er twee zijn, wat betekent dat we de liefde en de toorn onder één eigenschap moeten vangen. Het op pagina 11 genoemde citaat (Böhme, Aurora, pag. 440/441) bevestigt deze veronderstelling (‘darinnen liebe und zorn miteinander ringen’) De toorn van God maakt dus déél uit van de goede eigenschap, en moet steeds scherp onderscheiden worden van het kwade dat onder heerschappij van de duivel staat. (Zie ook: Hanegraaff W., In den beginne was de Toorn).

In bovenstaand citaat (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 92, al. 15) spreekt Böhme ook van drie principes die allen in de boom aanwezig en openbaar zijn. Nú vormen de toorn van God en de hemelse wereld (de liefde van God), twee verschillende principes, te weten het eerste en het tweede principe. Het derde principe is de aardsheid. Niet alleen zijn deze drie principes aanwezig in de boom, ook willen zij openbaar worden in Adam. Al vóórdat Adam van de vrucht gegeten had stond hij, als het beeld van God ‘[…] zwischen drei Principien, welche irhe Begierde alle drei nach diesem Bilde führten: Ein iedes wolte in Adam offenbar sein […]’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 114, al. 34).

Juist het gegeven dat de drie principes in Adam openbaar willen worden, speelt een belangrijke rol in de uitwerking van de volgende probleemstelling: als de levensboom en de boom van kennis van goed en kwaad in werkelijkheid samen één boom vormen, hoe kan het dan dat Adam van de boom van goed en kwaad heeft gegeten zónder daarmee ook van de levensboom te eten en als gevolg daarvan gevallen is?  Dit komt, zo zegt Böhme, omdat hij van de vrucht had gegeten vanuit een aardse begeerte, hij at niet met ‘der innern’ maar met  ‘der aussere Mund’. (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 110, al. 13) Adam at met de uitwendige mond van de uitwendige/aardse boom. Terug kijkende naar afbeelding 3 kan dat alleen als Adam van de boom des kwaads heeft gegeten. Blijkbaar eet de uitwendige mond van de uitwendige boom. Omdat Adam met een aardse begeerte van de boom van kennis van goed en kwaad heeft gegeten werd het paradijselijk principe geblokkeerd zodat het hemelse niet kon doordringen in het aardse en van de boom van kennis van goed en kwaad alleen een boom des kwaads overbleef.

Maar hoe kan hij vanuit een aardse begeerte, vanuit de kwade eigenschap dus, van de boom eten als hij tot het moment van eten geen kennis van goed en kwaad bezat, maar als een kind in het paradijs leefde, geheel en al in dienst van de goede eigenschap? Het antwoord vinden we in de slang. Toen Adam zich voor de boom van kennis van goed en kwaad geplaatst zag,  voerde Lucifer/de duivel, in de hoedanigheid van de slang, ‘seine giftige Imagination in die menschliche Eigenschaft ein […]’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 115, al. 36). In de volgende alinea lezen we: ‘Davon entstund Adams Imagination und heftiger Hunger, daß er wolte vom Bösen und Guten essen, und in eigenem Willen leben […]’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 115, al. 37)

Hier introduceert Böhme het woord ‘imaginatie’, en dat is een interessant gegeven, in de eerste plaats al, omdat deze imaginatie of verbeelding van Adam zelf uitgaat. Adam at van de vrucht met de ‘uitwendige’, i.p.v. met de ‘hemelse’ mond – zijn imaginatie was op het aardse van de boom gericht – waardoor hij niet van het hemelse at. ‘Denn die Essenß im Baume der Erkentniß Bös und Gut, und der Hunger der Begierde in Adam waren gleich; was er begehrte, das ward ihme durchs Fiat vorgestellet: Adams Imagination war Schuld daran ’ (Böhme, Mysterium Magnum, pag. 115, al. 40) Blijkbaar bepaalt de imaginatie van Adam wat de boom in essentie wordt.

Koppelen we dit nu terug naar het verhaal in de inleiding van de Aurora, dan zien we hoe hier in feite hetzelfde beschreven wordt wanneer Böhme zegt: ‘Das ist / so der Mensch seinen Geist erhebet in die Gottheit / so quillet und qualificiret in jhme der heilige Geist / so Er aber seinen geist sincken läßet in diese welt / in lust des bösen / so quillet und herrschet der Teuffel und der höllische safft.’ (Böhme, Aurora, pag. 24, al. 2)  De mens moet zélf – uit vrije wil –  tot het verlangen komen om het goede te willen en te doen, zich naar het goede te richten. Deze menselijke gerichtheid is blijkbaar doorslaggevend, want juist híer heeft God geen directe invloed op.

3. Conclusie en nabeschouwing

Böhme heeft de boom op drie verschillende verbeeldingsniveaus centraal gesteld:
1) De biologische boom, met takken, stam, sap, etc. ;
2) De symbolische boom die de werking en relatie van natuur, God en mens inzichtelijk maakt;
3) De boom van goed en kwaad/levensboom, waarvoor Adam en Eva zich geplaatst zien.

De concrete vrucht van de eerste boom, staat bij de tweede boom symbool voor de mens, en bij de derde boom symboliseert zij de sleutel tot kennis van goed en kwaad. Is hier sprake van drie verschillende bomen? Ja en nee. Aan de ene kant heeft Böhme inderdaad drie bomen genoemd die zich op verschillende wijze tot de mens verhouden. Zij vervullen zogezegd, in het kader van Böhme’s uiteenzetting, ieder hun eigen functie. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat Böhme de boom, deze éne boom, op verschillende verbeeldingsniveaus ten tonele voert. De boom zelf verplaatst of verandert niet, het is ons beeld van de boom die dat doet. Anders gezegd: Böhme doet niet iets met de boom, hij doet iets met de verbeelding, en wel op zodanige wijze dat ook de lezer gedwongen wordt om zich van de ons bekende ruimte/tijddimensie, waarin wij geneigd zijn de verschillende interpretaties van de boom naast of tegenover elkaar plaatsen en van vergelijkingspunt naar vergelijkingspunt snellen,  te abstraheren, en de dimensie van de verbeelding te betreden.

Wat is het belang hiervan? Niet alleen probeert Böhme ons bewust te maken van dit menselijk vermogen, maar bovenal van de consequenties ervan. Onze verbeelding van de ons omringende wereld bepaald de essentie van de werkelijkheid. Blijkbaar verbeelden we ons een werkelijkheid waarin het paradijselijk principe niet goed functioneren kan. Wij zijn als Adam, in Christus zullen wij opnieuw geboren moeten worden om de verbinding met het hemelse te herstellen zodat het paradijselijk principe weer werkelijkheid wordt.

Wat de onderzoeksvraag, zoals in de inleiding geformuleerd, betreft kan ik zeggen dat achteraf bezien het niet zozeer zo interessant was verbanden te leggen tussen de bomen uit de twee werken van Böhme. Gaandeweg bleek het interessanter de werken in het verlengde van elkaar te lezen waarbij de Mysterium Magnum als een verdieping op Aurora beschouwd kon worden. En dat is wat ik heb getracht te illustreren.

Literatuur
– “Böhme, Jacob, Morgen-Röte im Aufgang (Aurora), ed. Ferdinand van Ingen, in: Jacob Böhme Werke, Deutscher Klassiker Verlag: Frankfurt am Main 1997

– Böhme, Jacob, Mysterium Magnum, ed. August Faust en Will-Erich Peuckert, in: Jacob Böhme sämtliche Schriften, Fr. Frommanns Verlag Stuttgart 1958

– Bijbel, De nieuwe bijbelvertaling, Heerenveen: Uitgeverij NBG 2004

– Hanegraaff, Wouter, ‘In den beginne was de Toorn: Het demonische bij Jacob Böhme’, in: Ab de Jong en Aleid de Jong (red.), Kleine Encyclopedie van de Toorn, Utrecht 1993
Werkstuk voor

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *