Het uur U – over vertwijfeling en mogelijkheid bij Kierkegaard

 

Toen de Deense denker Sören Kierkegaard 22 jaar oud was besloot hij zijn zomervakantie door te brengen in het vissersdorp Gilleleje, bij de noordelijkste punt van het eiland Sjaelland, waarop ook Kopenhagen ligt. Hij genoot intens van de stilte en de overweldigende schoonheid van de natuur en toen hij een avond op de hoge klif over de zee uitkeek leek het hem alsof:

‘die paar geliefde doden uit hun graf gekomen waren, of beter: het leek me alsof ze niet dood waren. Ik voelde me zo goed in hun midden, ik rustte in hun omhelzing, het was of ik buiten mijn lichaam was en met hen in een hoge ether zweefde en de hese schreeuw van een meeuw herinnerde mij eraan dat ik daar alleen stond en alles verdween voor mijn oog en ik keerde terug met een hart vol weemoed om me in het gedrang van de wereld te mengen, maar zonder zulke gelukzalige momenten te vergeten.’  

Kierkegaards ervaring, daar op die klif, doet mij denken aan die regels uit het beroemde gedicht van Nijhoff: De stilte die dan ontstaat / is een stilte, niet slechts naar de vorm / een stilte voor de storm / maar een stilte van het soort / waar dingen in worden gehoord / die nog nimmer het oor vernam. De geliefde doden die Kierkegaard in deze stilte terugvindt zijn z’n moeder, twee zusters en broer, die hij al op jonge leeftijd verloren had. Zijn ervaring, de taal waarin hij deze tot uitdrukking brengt, zal in bepaalde intellectuele kringen waarschijnlijk een wat meewarig lachje tevoorschijn roepen. Want ja, wat aan te vangen met dit hemelse visioen uit de mond van een filosoof die nota bene tot één van de vaders van het existentialisme wordt gerekend? Wat bezielt deze denker om zich zo te laten gaan, het redelijke verstand zo laconiek te offeren aan een bijna mystieke bewogenheid?

Read more