Arthur Rimbaud – ‘Je est un autre’

images (9)In het voorjaar van 1871 legt de 16-jarige Arthur Rimbaud in twee brieven, de zogenaamde Zienersbrieven, zijn opvattingen over het dichterschap vast: Achter de banale wereld van alledag gaat een andere, nog ongekende werkelijkheid schuil. Het middel om tot deze werkelijkheid van volmaakte geestelijke vrijheid te komen is de poëzie; een poëzie die niet langer uitdrukking is van het eigen ik maar voertuig om tot deze ongekende werkelijkheid door te dringen. Hiertoe dient de dichter zichzelf tot ziener te maken.

Het zienerschap valt volgens Rimbaud te bereiken door een langdurige, mateloze en beredeneerde ontregeling van alle zinnen. Om wat hij op deze wijze in het ongekende ontdekt aan te kunnen reiken aan de mensheid, dient hij een nieuwe taal te scheppen. De persoon van de dichter met zijn subjectieve emoties is daarbij niet van belang; het in hem verzonken genie gebruikt het ik van de dichter als spreekbuis: ‘Je est un autre’ [1].

 

Rimbaud’s prozapoëzie in het licht van Rorty’s Contingency, Irony and Solidarity

Rimbaud neemt een belangrijke plaats in binnen de westerse literatuur van de afgelopen honderd jaar. Zijn prozagedichten Une saison en enfer en Illuminations worden, vanwege het experimentele karakter ervan, gerekend tot de meest vernieuwende literaire teksten uit de negentiende eeuw en staan volgens velen aan de basis van de moderne poëzie. Centraal in deze prozagedichten, die Rimbaud schreef in de laatste fase van zijn dichterschap, staat zijn poging om een nieuwe taal te vinden, uit te zien naar nieuwe vormen om de nog ongekende werkelijkheid achter de woorden tot uitdrukking te brengen.

De vraagstelling die ik in deze paper aan de orde wil stellen is: Verwijst Rimbaud met zijn ‘werkelijkheid achter de woorden’ naar een metafysische werkelijkheid of heeft hij veeleer een ‘ironische’ opvatting van deze werkelijkheid, in de zin waarin Rorty deze termen gebruikt? Gepoogd zal worden een antwoord op deze vraag te vinden in het licht van Rorty’s Contingency, Irony and Solidarity, waarin hij een radicaal onderscheid maakt tussen ‘de metafysicus’ en ‘de ironicus’ en uitlegt in welke opzichten deze twee van elkaar verschillen. Naast de analyse van Rimbauds prozapoëzie zal ook rekening gehouden worden met zijn biografie en de historisch/culturele context waarin hij opgroeide. Alvorens we de aandacht op Rimbaud vestigen, volgt nu eerst een beknopte toelichting op Rorty’s boek en meer in het bijzonder op het genoemde onderscheid dat hij hierin aan de orde stelt.

 

De ironicus vs. de metafysicus

Rorty laat in zijn boek  zien welke perspectieven er bestaan wanneer men de vraag naar een theorie die het publieke en private probeert te verenigen heeft verworpen en zelfcreatie en solidariteit opvat als gelijkwaardig maar onverenigbaar. Hij schets hierbij de figuur van de ‘liberale ironicus’. Met ‘liberaal’ doelt hij op diegenen die van mening zijn dat wreedheid het allerergste is dat de mens voortbrengt. Onder de ‘ironicus’ verstaat hij de mens die de contingentie van zijn centrale verlangens en waarden onderkent en historicistisch en nominalistisch is ingesteld. Liberale ironici streven ernaar het menselijk lijden zoveel mogelijk te reduceren en koesteren de hoop dat de vernederingen die mensen elkaar aandoen kan verdwijnen. Bovendien geloven zij niet in een hiërarchische orde van verantwoordelijkheden om morele problemen op te lossen. Daar de overgrote meerderheid dit volgens Rorty wel doet vormen de liberale ironici een aparte minderheid op zich.

In het vierde hoofdstuk van zijn boek geeft Rorty een meer precieze definiëring van een ‘ironicus’ als iemand die aan drie voorwaarden voldoet[2]. Ten eerste heeft zij radicale en permanente twijfels over het eindvocabulaire dat zij momenteel gebruikt[3], omdat zij geïmponeerd is door andere vocabulaires die als eindvocabulaires worden beschouwd door bepaalde mensen/boeken die zij is tegengekomen. Ten tweede realiseert de ironicus zich dat een redenering die in haar huidige vocabulaire wordt uitgedrukt deze twijfels kan onderschrijven noch kan oplossen. Ten derde gelooft de ironicus niet, dat haar vocabulaire dichter bij de realiteit staat dan dat van anderen of dat het in contact staat met een kracht buiten haarzelf. De ironicus is een nominalist en historist en gelooft niet dat iets een intrinsieke natuur of ware essentie heeft. Ironici zien de keuze tussen vocabulaires daarom niet als iets dat samenhangt met de poging om zich voorbij de verschijnselen een weg te banen naar de werkelijkheid, maar simpelweg als het uitspelen van het nieuwe tegen het oude. Rorty noemt deze mensen ironici omdat hun verwerping van de poging keuzecriteria te formuleren voor het kiezen van eindvocabulaires, hen in een zogenaamde ‘meta-stabiele’ positie plaatst. Dat wil zeggen dat ze nooit goed in staat zijn zichzelf serieus te nemen omdat ze zich voortdurend bewust zijn van de contingentie en fragiliteit van de termen waarin ze zichzelf beschrijven, van hun eindvocabulaires.

Tegenover de ironicus plaatst Rorty de metafysicus als diegene die juist primair op zoek is naar de intrinsieke natuur of ware essentie van iets. De metafysicus veronderstelt dat de aanwezigheid van een bepaalde term in zijn eigen eindvocabulaire (kennis, zijn, moraliteit etc.) garandeert dat deze refereert aan iets dat een echte essentie heeft, en twijfelt niet aan de platitudes die horen bij het gebruik van een gegeven eindvocabulaire, in het bijzonder de platitude die zegt dat er een eenvoudige permanente realiteit achter de tijdelijke verschijnselen is. Wat volgens Rorty van belang is voor de metafysicus is niet welke taal gebruikt wordt maar wat ‘waar’ is. Metafysici denken dat mensen van nature streven naar kennis omdat het vocabulaire dat ze geërfd hebben hen voorziet van een beeld van kennis als van een relatie tussen mensen en ‘realiteit’ en hen verteld dat deze realiteit, als ze maar op de juiste manier ondervraagd wordt, ons helpt te bepalen wat ons eindvocabulaire zou moeten worden.

Wordt de beschrijving van wat de ironicus doet wanneer hij op zoek is naar een nieuw eindvocabulaire vooral beheerst door metaforen van maken/scheppen, bij de metafysicus wordt deze beschrijving veeleer beheerst door metaforen van vinden, aldus Rorty.

 

Arthur Rimbaud: ironicus of metafysicus?

Arthur Rimbaud geeft in zijn Zienersbrieven te kennen dat hij, via een rationele ontregeling van alle zinnen, visionair en ziener wil worden, het ongekende wil ontdekken en een nieuwe taal wil scheppen om zijn visioenen en ervaringen met de mensheid te delen. De vraag is nu: beschouwd Rimbaud het ‘ongekende’ als een soort onzichtbare, intrinsieke werkelijkheid die wel bestaat maar nog ontdekt moet worden, of heeft hij een soort nominalistische opvatting van deze ongekende werkelijkheid, als een werkelijkheid die pas in, en met, de taal geschapen wordt? In het verlengde hiervan kunnen we ons afvragen: is Rimbaud een metafysisch ingestelde mens of veeleer een ironicus?

Analyseren we werk en levensloop van Rimbaud tegen de achtergrond van de drie voorwaarden waaraan de ironicus volgens Rorty voldoet, dan zijn de eerste twee voorwaarden zeer zeker van toepassing op Rimbaud: hij heeft 1) voortdurend radicale en permanente twijfels over het eindvocabulaire dat hij gebruikt en 2) realiseert zich dat een redenering die in zijn huidige vocabulaire wordt uitgedrukt deze twijfels kan onderschrijven noch kan oplossen. Rimbaud is voortdurend op zoek naar een nieuwe taal, een nieuw eindvocabulaire om het ‘ongekende’ tot uitdrukking te brengen, maar hij raakt keer op keer gedesillusioneerd over het slagen van zijn project, totdat hij de poëzie en het schrijven volledig afzweert en naar Afrika vertrekt om handelaar te worden[4]. De derde voorwaarde, die inhoud dat de ironicus niet gelooft dat zijn vocabulaire dichter bij de realiteit staat dan dat van anderen of dat het in contact staat met een kracht buiten hemzelf, lijkt echter niet direct van toepassing op Rimbaud.

Rimbauds experiment houdt een diepgaande, bijna alchimistische zoektocht in naar wat hij de ‘werkelijkheid achter de woorden’ noemt om deze woorden een nieuwe lading te geven, te ‘herscheppen’ vanuit hun oerkracht:

‘De dichter steelt dus metterdaad het vuur. Hij staat voor de mensheid, voor alle levende wezens; hij moet zijn vondsten voelbaar, tastbaar, hoorbaar maken; heeft dat wat hij van ginds overbrengt vorm, dan reikt hij vorm aan; is het vormeloos, dan reikt hij vormeloosheid aan. […] Maar het schouwen van het ongeziene en het horen van het ongehoorde is iets anders dan de geest oproepen van de dode dingen […] vondsten uit het ongekende vragen om nieuwe vormen.’

Rimbaud wil het ongeziene schouwen, het ongehoorde horen; hij wil taal vinden voor een werkelijkheid die pas in die taal werkelijk wordt. Het is deze paradox waar Rimbaud tijdens zijn experimentele zoektocht voortdurend mee lijkt te worstelen. Kenmerkend voor het experimentele werk van Rimbaud en zijn onophoudelijke zoektocht naar een nieuw eindvocabulaire is dat metaforen van ‘scheppen’ en van ‘vinden’ elkaar voortdurend afwisselen. Hij is een metafysicus én een ironicus:

‘Ik geloofde in al wat betovert. Ik verzon de kleur van de klinkers! A zwart, E wit, I rood, O groen. Ik bepaalde vorm en beweging van elke medeklinker, en met mijn spontane verzen ging ik er plat op een poëtisch woord uit te vinden dat ooit toegankelijk zou zijn voor alle zintuigen. Ik liet de vertaling achterwege. Het begon als een experiment. Ik schreef stiltes, nachten neer, ik noteerde het onuitdrukbare. Ik legde duizelingen vast’.[5]

Net als Illuminations bestaat Une saison en enfer uit prozagedichten. In de praktijk van het prozagedicht komt het erop neer dat de zinnen zich onttrekken aan de als vanzelfsprekend geaccepteerde logica zoals deze te vinden is in het alledaags taalgebruik. De auteur springt van het ene beeld plotseling over op een ander beeld, zonder uitleg of reden, op zoek naar nieuwe beelden, nieuwe vormen.[6] Maar terwijl Illuminations een soort staalkaart vormt van Rimbauds experimenteerlust in het genre, heeft Une saison en enfer een zekere samenhang. Er is sprake van een hoofdpersoon die heen en weer geslingerd wordt in existentiële, morele, religieuze, sociale en esthetische twijfels. ‘Ik is een ander’ schrijft Rimbaud in zijn Zienersbrieven; maar in die ander zijn trekjes van de jonge dichter te herkennen in zijn verhouding tot de wereld, het kwaad, de roomse kerk, de burgerlijke maatschappij en de rol van de kunst daarin.

 

 Je est un autre

Evenals Nietzsche, een tijdgenoot, stootte Rimbaud voortdurend zijn hoofd tegen de werkelijkheid, tot hij helemaal opgebrand, kapotgeslagen was. De radicale omwenteling die hij door middel van zijn poëzie nastreefde was tot mislukken gedoemd. In Une saison en enfer blijkt de ontdekkingsreis in zijn eigen geest veranderd in een regelrechte hel: ‘Ik denk dat ik in de hel ben, dus ben ik in de hel’. Welbeschouwd is zijn biografie een aaneenschakeling van mislukte ontsnappingspogingen; op elke vlucht volgt onherroepelijk een tragische thuiskomst. Aanvankelijk als een gedesillusioneerde jongen, en later als een volkomen gebroken man.

Wanneer hij enkele dagen voor zijn dood, hij was toen zevenendertig, vanuit zijn ziekenhuisbed buiten de zon ziet schijnen, roept hij zijn zuster toe: ‘Ik ga onder de grond, terwijl jij in de zon zult lopen!’. Rimbaud richt zich met deze woorden tot zijn zuster, maar het is ook de verscheurde mens Arthur die de woorden richt tot het in hem verzonken genie. ‘Je est un autre’.

 


[1] Rimbaud, R., Verzamelde Prozagedichten, vert. H. van Pinksteren (tweetalige uitgave), Athenaeum-Polak & van Gennep, 1986, p. 11 (Lettres du voyantA Georges izambard)

[2] Zie Rorty, p. 109

[3]Onder ‘eindvocabulaire’ verstaat Rorty de woorden die we gebruiken om onze handelingen, geloofs-overtuigingen en levens te rechtvaardigen. Het eindvocabulaire van een persoon wordt met andere woorden gevormd door de woorden waarmee die mens zijn/haar levensverhalen vertelt. ( Rorty, p. 109)

[4] Zie Robb, Graham, Rimbaud – de Biografie, Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker, 2003

[5] Fragment uit Rimbauds Saison d’Enfer

[6] Dit procéde werd later door de surrealisten toegepast in de zogenaamde ‘écriture automatique’: het automatisch neerschrijven van het onderbewustzijn, voor zover dat zich uit in gesproken taal. Rimbaud wordt dan ook gezien als een belangrijke vertegenwoordiger van de symbolisten.

Door: Welmoed Vlieger – Datum: 1/07/2009 – Researchmaster Wijsbegeerte UvA

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *